prikkelen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈprɪkələn/Betekenis
- (herhaaldelijk) prikken
- aansporen, aanzetten
- ergeren, ergernis opwekken
- irriteren
- in de zinnen ~: seksueel opwinden
Hoe spreek je prikkelen uit?
/ˈprɪkələn/
Prikkelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| r | rood |
| ɪ | pit |
| k | kat |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- prikken
Vervoeging van prikkelen
prikkelenhele werkwoord — prikkeldeverleden tijd enkelvoud — prikkeldenverleden tijd meervoud — geprikkeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | prikkel | prikkelde |
| jij | prikkelt | prikkelde |
| hij, zij, het | prikkelt | prikkelde |
| wij | prikkelen | prikkelden |
| jullie | prikkelen | prikkelden |
| zij | prikkelen | prikkelden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geprikkeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geprikkeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geprikkeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geprikkeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geprikkeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geprikkeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geprikkeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geprikkeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geprikkeld | verleden tijd, deelwoord |
| geprikkeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geprikkeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geprikkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geprikkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geprikkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geprikkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geprikkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geprikkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geprikkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geprikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geprikkeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geprikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geprikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geprikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geprikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geprikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geprikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| prikkel | gebiedende wijs |
| prikkelde | verleden tijd |
| prikkele | aanvoegende wijs |
| prikkelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geprikkeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te prikkelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen prikkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geprikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geprikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geprikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal prikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal prikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal prikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geprikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geprikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geprikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou prikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou prikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou prikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geprikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geprikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geprikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden prikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden prikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden prikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geprikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt prikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geprikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geprikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geprikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen prikkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen prikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen prikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen prikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geprikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult prikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord prikkel
Herkomst
Ontwikkeld uit Middelnederlands prickelen, in de betekenis van ‘prikken, aansporen’ voor het eerst aangetroffen in 1401.
Woordfamilie van prikkelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| prikkelde | verleden tijd | prikkelen |
| prikkelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | prikkelen |
| prikkele | aanvoegende wijs | prikkelen |
| prikkelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | prikkelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van prikkelen zijn vastgelegd.