tichel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- baksteen, dakpan of vlakke vloersteen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tichels | meervoud |
| ticheltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ticheltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tichelen
- gebiedende wijs van tichelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tichelen
Vervoeging van tichel
tichelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘vloersteen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285
Woordfamilie van tichel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tichels | meervoud | tichel |
| ticheltje | verkleinwoord | tichel |
| ticheltjes | verkleinwoord meervoud | tichel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tichel zijn vastgelegd.