klinker
zelfstandig naamwoord ˈklɪŋkərBetekenis
- een klank van de menselijke spraak waarbij geen obstructie in de ademstroom aangebracht wordt
- een letter of teken dat een dergelijke spraakklank voorstelt
- een harde baksteen die door zijn structuur geen water opzuigt
- Iemand die geholpen door de nageljongen met klinknagels voorwerpen aan elkaar klinkt
Hoe spreek je klinker uit?
/ˈklɪŋkər/
Klinker bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| l | land |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- elke spraakklank waarbij de ademstroom nergens wordt afgeknepen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| klinkers | meervoud |
| klinkertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| klinkertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘vocaal’ voor het eerst aangetroffen in 1584
Woordfamilie van klinker
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| klinkers | meervoud | klinker |
| klinkertje | verkleinwoord | klinker |
| klinkertjes | verkleinwoord meervoud | klinker |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klinker zijn vastgelegd.