bouwsteen
zelfstandig naamwoord ˈbɑustenBetekenis
- steen om mee te bouwen
- blok uit een bouwdoos.
- elk onmisbaar onderdeel in figuurlijke zin gebruikt
Hoe spreek je bouwsteen uit?
/ˈbɑusten/
Bouwsteen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑu | koud |
| s | sok |
| t | tak |
| e | veel |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- blok uit een bouwdoos
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bouwsteentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bouwsteentjes | verkleinwoord, meervoud |
| bouwstenen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van bouw en steen
Woordfamilie van bouwsteen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bouwsteentje | verkleinwoord | bouwsteen |
| bouwsteentjes | verkleinwoord meervoud | bouwsteen |
| bouwstenen | meervoud | bouwsteen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bouwsteen zijn vastgelegd.