Naar de inhoud

terugstorten

weer afstaan wat men ooit heeft ontvangen

terugstorten

werkwoord

Betekenis

  1. weer afstaan wat men ooit heeft ontvangen

Vervoeging van terugstorten

terugstortenhele werkwoord — stortte terugverleden tijd enkelvoud — stortten terugverleden tijd meervoud — teruggestortvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik stort terug stortte terug
jij stort terug stortte terug
hij, zij, het stort terug stortte terug
wij storten terug stortten terug
jullie storten terug stortten terug
zij storten terug stortten terug
Alle 81 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is teruggestort impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was teruggestort impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd teruggestort impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt teruggestort impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal teruggestort worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal teruggestort zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou teruggestort worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou teruggestort zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had teruggestort voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had teruggestort voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had teruggestort voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden teruggestort voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden teruggestort voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden teruggestort voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt teruggestort voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb teruggestort voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben teruggestort actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben teruggestort voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben teruggestort voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben teruggestort voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt teruggestort voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft teruggestort voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft teruggestort voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
stort terug gebiedende wijs
stortte terug verleden tijd
te hebben teruggestort actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen terugstorten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
terug te storten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
terug te zullen storten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
terug zal storten bijzin, toekomende tijd
terug zou storten bijzin, voorwaardelijk
terug zouden storten bijzin, voorwaardelijk
terug zoudt storten bijzin, voorwaardelijk
terug zullen storten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
terug zullen storten bijzin, toekomende tijd
terug zult storten bijzin, toekomende tijd
teruggestort verleden tijd, deelwoord
teruggestort te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
teruggestort zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
terugstort bijzin, tegenwoordige tijd
terugstortend onvoltooid, deelwoord
terugstortte bijzin, verleden tijd
terugstortten bijzin, verleden tijd
zal teruggestort hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal teruggestort hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal teruggestort hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal terugstorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal terugstorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal terugstorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal terugstorten bijzin, toekomende tijd
zou teruggestort hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou teruggestort hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou teruggestort hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou terugstorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou terugstorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou terugstorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou terugstorten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) terugstorten terug zou(dt) storten bijzin, voorwaardelijk
zouden teruggestort hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden teruggestort hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden teruggestort hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden terugstorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden terugstorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden terugstorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden terugstorten bijzin, voorwaardelijk
zoudt teruggestort hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt terugstorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt terugstorten bijzin, voorwaardelijk
zullen teruggestort hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen teruggestort hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen teruggestort hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen terugstorten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen terugstorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen terugstorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen terugstorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen terugstorten bijzin, toekomende tijd
zult teruggestort hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult terugstorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult terugstorten bijzin, toekomende tijd
zult/zal terugstorten terug zult/zal storten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van terug en storten

Woordfamilie van terugstorten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
stort terug gebiedende wijs terugstorten
storte terug woordvorm terugstorten
storten terug aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon terugstorten
stortte terug verleden tijd terugstorten
stortten terug aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon terugstorten
teruggestort voltooid deelwoord terugstorten
teruggestorte woordvorm terugstorten
terugstort subordinate-clause, tegenwoordige tijd terugstorten
terugstorte with-subordinate-clause terugstorten
terugstortend onvoltooid deelwoord terugstorten
terugstortende woordvorm terugstorten
terugstortte subordinate-clause, verleden tijd terugstorten
terugstortten subordinate-clause, verleden tijd terugstorten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van terugstorten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over terugstorten

Wat is de betekenis van terugstorten?
Terugstorten is een werkwoord. De betekenis is: weer afstaan wat men ooit heeft ontvangen.
Hoe vervoeg ik terugstorten?
Zo vervoeg je terugstorten zo: het voltooid deelwoord is teruggestort. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord terugstorten is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. E 1
  3. R 2
  4. U 4
  5. G 3
  6. S 2
  7. T 2
  8. O 1
  9. R 2
  10. T 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

terugstorten levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. E 1
  3. R 2
  4. U 2
  5. G 3
  6. S 2
  7. T 2
  8. O 1
  9. R 2
  10. T 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 21 zonder bonus
  14. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (G) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

terugstorten in het kort

terugstorten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van terugstorten staan er 51 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort terugstorten bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

terugstorten: weer afstaan wat men ooit heeft ontvangen
Deel terugstorten — standaardnederlands.nl