terugstorten
werkwoordBetekenis
- weer afstaan wat men ooit heeft ontvangen
Vervoeging van terugstorten
terugstortenhele werkwoord — stortte terugverleden tijd enkelvoud — stortten terugverleden tijd meervoud — teruggestortvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stort terug | stortte terug |
| jij | stort terug | stortte terug |
| hij, zij, het | stort terug | stortte terug |
| wij | storten terug | stortten terug |
| jullie | storten terug | stortten terug |
| zij | storten terug | stortten terug |
Alle 81 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is teruggestort | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was teruggestort | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd teruggestort | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt teruggestort | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal teruggestort worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal teruggestort zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou teruggestort worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou teruggestort zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had teruggestort | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had teruggestort | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had teruggestort | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden teruggestort | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden teruggestort | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden teruggestort | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt teruggestort | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb teruggestort | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben teruggestort | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben teruggestort | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben teruggestort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben teruggestort | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt teruggestort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft teruggestort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft teruggestort | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stort terug | gebiedende wijs |
| stortte terug | verleden tijd |
| te hebben teruggestort | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen terugstorten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug te storten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| terug te zullen storten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug zal storten | bijzin, toekomende tijd |
| terug zou storten | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zouden storten | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zoudt storten | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zullen storten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terug zullen storten | bijzin, toekomende tijd |
| terug zult storten | bijzin, toekomende tijd |
| teruggestort | verleden tijd, deelwoord |
| teruggestort te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| teruggestort zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terugstort | bijzin, tegenwoordige tijd |
| terugstortend | onvoltooid, deelwoord |
| terugstortte | bijzin, verleden tijd |
| terugstortten | bijzin, verleden tijd |
| zal teruggestort hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal teruggestort hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal teruggestort hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal terugstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal terugstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal terugstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal terugstorten | bijzin, toekomende tijd |
| zou teruggestort hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou teruggestort hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou teruggestort hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou terugstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou terugstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou terugstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou terugstorten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) terugstorten terug zou(dt) storten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden teruggestort hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden teruggestort hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden teruggestort hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden terugstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden terugstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden terugstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden terugstorten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt teruggestort hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt terugstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt terugstorten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen teruggestort hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen teruggestort hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen teruggestort hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen terugstorten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen terugstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen terugstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen terugstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen terugstorten | bijzin, toekomende tijd |
| zult teruggestort hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult terugstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult terugstorten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal terugstorten terug zult/zal storten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van terug en storten
Woordfamilie van terugstorten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stort terug | gebiedende wijs | terugstorten |
| storte terug | woordvorm | terugstorten |
| storten terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | terugstorten |
| stortte terug | verleden tijd | terugstorten |
| stortten terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | terugstorten |
| teruggestort | voltooid deelwoord | terugstorten |
| teruggestorte | woordvorm | terugstorten |
| terugstort | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terugstorten |
| terugstorte | with-subordinate-clause | terugstorten |
| terugstortend | onvoltooid deelwoord | terugstorten |
| terugstortende | woordvorm | terugstorten |
| terugstortte | subordinate-clause, verleden tijd | terugstorten |
| terugstortten | subordinate-clause, verleden tijd | terugstorten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van terugstorten zijn vastgelegd.