Naar de inhoud

teruglopen

verminderen

teruglopen

werkwoord /tə'rɵxlopən/

Betekenis

  1. verminderen
  2. weer naar het beginpunt van een route lopen

Hoe spreek je teruglopen uit?

/təˈrɵxlopən/

Teruglopen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /təˈrɵxlopən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
t tak
ə de
r rood
ɵ put
x acht
l land
o boot
p pak
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. afnemen [5], minder worden, verminderen [1] ergative

Vervoeging van teruglopen

teruglopenhele werkwoord — liep terugverleden tijd enkelvoud — liepen terugverleden tijd meervoud — teruggelopenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik loop terug liep terug
jij loopt terug liep terug
hij, zij, het loopt terug liep terug
wij lopen terug liepen terug
jullie lopen terug liepen terug
zij lopen terug liepen terug
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had teruggelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had teruggelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had teruggelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden teruggelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden teruggelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden teruggelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt teruggelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb teruggelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben teruggelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben teruggelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben teruggelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben teruggelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt teruggelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft teruggelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft teruggelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
liep terug verleden tijd
loop terug gebiedende wijs
te hebben teruggelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen teruglopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
terug te lopen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
terug te zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
terug zal lopen bijzin, toekomende tijd
terug zou lopen bijzin, voorwaardelijk
terug zouden lopen bijzin, voorwaardelijk
terug zoudt lopen bijzin, voorwaardelijk
terug zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
terug zullen lopen bijzin, toekomende tijd
terug zult lopen bijzin, toekomende tijd
teruggelopen verleden tijd, deelwoord
teruggelopen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
teruggelopen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
terugliep bijzin, verleden tijd
terugliepen bijzin, verleden tijd
terugloop bijzin, tegenwoordige tijd
terugloopt bijzin, tegenwoordige tijd
teruglopend onvoltooid, deelwoord
zal teruggelopen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal teruggelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal teruggelopen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal teruglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal teruglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal teruglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal teruglopen bijzin, toekomende tijd
zou teruggelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou teruggelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou teruggelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou teruglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou teruglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou teruglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou teruglopen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) teruglopen terug zou(dt) lopen bijzin, voorwaardelijk
zouden teruggelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden teruggelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden teruggelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden teruglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden teruglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden teruglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden teruglopen bijzin, voorwaardelijk
zoudt teruggelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt teruglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt teruglopen bijzin, voorwaardelijk
zullen teruggelopen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen teruggelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen teruggelopen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen teruglopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen teruglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen teruglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen teruglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen teruglopen bijzin, toekomende tijd
zult teruggelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult teruglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult teruglopen bijzin, toekomende tijd
zult/zal teruglopen terug zult/zal lopen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van terug bw en lopen ww

Woordfamilie van teruglopen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
liep terug verleden tijd teruglopen
liepen terug aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon teruglopen
loop terug gebiedende wijs teruglopen
loopt terug aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon teruglopen
lope terug woordvorm teruglopen
lopen terug aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon teruglopen
teruggelopen voltooid deelwoord teruglopen
terugliep subordinate-clause, verleden tijd teruglopen
terugliepen subordinate-clause, verleden tijd teruglopen
terugloopt subordinate-clause, tegenwoordige tijd teruglopen
teruglope with-subordinate-clause teruglopen
teruglopend onvoltooid deelwoord teruglopen
teruglopende woordvorm teruglopen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van teruglopen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over teruglopen

Hoe spreek ik teruglopen uit?
Zo spreek je teruglopen uit: /tə'rɵxlopən/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van teruglopen?
Teruglopen is een werkwoord. De betekenis is: verminderen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik teruglopen?
Zo vervoeg je teruglopen zo: het voltooid deelwoord is teruggelopen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord teruglopen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. E 1
  3. R 2
  4. U 4
  5. G 3
  6. L 3
  7. O 1
  8. P 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

teruglopen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. E 1
  3. R 2
  4. U 2
  5. G 3
  6. L 3
  7. O 1
  8. P 4
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 zonder bonus
  12. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

teruglopen in het kort

teruglopen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van teruglopen staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort teruglopen bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

teruglopen: verminderen
Deel teruglopen — standaardnederlands.nl