terugkrabbelen
werkwoord t(ə)ˈrʏxkrɑbələ(n)Betekenis
- onder een gedane belofte of toezegging proberen uit te komen
Hoe spreek je terugkrabbelen uit?
/təˈrʏxkrɑbələn/
Terugkrabbelen bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| ʏ | put |
| x | acht |
| k | kat |
| ɑ | bad |
| b | bak |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- een eenmaal ingezette aanval staken
Vervoeging van terugkrabbelen
terugkrabbelenhele werkwoord — krabbelde terugverleden tijd enkelvoud — krabbelden terugverleden tijd meervoud — teruggekrabbeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | krabbel terug | krabbelde terug |
| jij | krabbelt terug | krabbelde terug |
| hij, zij, het | krabbelt terug | krabbelde terug |
| wij | krabbelen terug | krabbelden terug |
| jullie | krabbelen terug | krabbelden terug |
| zij | krabbelen terug | krabbelden terug |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben teruggekrabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent teruggekrabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is teruggekrabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is teruggekrabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| krabbel terug | gebiedende wijs |
| krabbelde terug | verleden tijd |
| te zijn teruggekrabbeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen terugkrabbelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug te krabbelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| terug te zullen krabbelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug zal krabbelen | bijzin, toekomende tijd |
| terug zou krabbelen | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zouden krabbelen | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zoudt krabbelen | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zullen krabbelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terug zullen krabbelen | bijzin, toekomende tijd |
| terug zult krabbelen | bijzin, toekomende tijd |
| teruggekrabbeld | verleden tijd, deelwoord |
| teruggekrabbeld te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| teruggekrabbeld zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terugkrabbel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| terugkrabbelde | bijzin, verleden tijd |
| terugkrabbelden | bijzin, verleden tijd |
| terugkrabbelend | onvoltooid, deelwoord |
| terugkrabbelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart teruggekrabbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren teruggekrabbeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren teruggekrabbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren teruggekrabbeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was teruggekrabbeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was teruggekrabbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was teruggekrabbeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal teruggekrabbeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal teruggekrabbeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal teruggekrabbeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal terugkrabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal terugkrabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal terugkrabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal terugkrabbelen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn teruggekrabbeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn teruggekrabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn teruggekrabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn teruggekrabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt teruggekrabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou teruggekrabbeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou teruggekrabbeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou teruggekrabbeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou terugkrabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou terugkrabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou terugkrabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou terugkrabbelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) terugkrabbelen terug zou(dt) krabbelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden teruggekrabbeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden teruggekrabbeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden teruggekrabbeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden terugkrabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden terugkrabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden terugkrabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden terugkrabbelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt teruggekrabbeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt terugkrabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt terugkrabbelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen teruggekrabbeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen teruggekrabbeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen teruggekrabbeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen terugkrabbelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen terugkrabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen terugkrabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen terugkrabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen terugkrabbelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult teruggekrabbeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult terugkrabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult terugkrabbelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal terugkrabbelen terug zult/zal krabbelen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van terug en krabbelen
Woordfamilie van terugkrabbelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| krabbel terug | gebiedende wijs | terugkrabbelen |
| krabbelde terug | verleden tijd | terugkrabbelen |
| krabbelden terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | terugkrabbelen |
| krabbele terug | woordvorm | terugkrabbelen |
| krabbelen terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | terugkrabbelen |
| krabbelt terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | terugkrabbelen |
| teruggekrabbeld | voltooid deelwoord | terugkrabbelen |
| terugkrabbel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terugkrabbelen |
| terugkrabbelde | subordinate-clause, verleden tijd | terugkrabbelen |
| terugkrabbelden | subordinate-clause, verleden tijd | terugkrabbelen |
| terugkrabbele | with-subordinate-clause | terugkrabbelen |
| terugkrabbelend | onvoltooid deelwoord | terugkrabbelen |
| terugkrabbelende | woordvorm | terugkrabbelen |
| terugkrabbelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terugkrabbelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van terugkrabbelen zijn vastgelegd.