| ev. |
gebiedende wijs
|
| getennist |
verleden tijd, deelwoord
|
| getennist te zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| getennist zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| had getennist |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| had getennist |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| had getennist |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadden getennist |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| hadden getennist |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| hadden getennist |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadt getennist |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| heb getennist |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben getennist |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| hebben getennist |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben getennist |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| hebben getennist |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| hebt getennist |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft getennist |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft getennist |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| te hebben getennist |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te tennissen |
actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te zullen tennissen |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| tennis |
gebiedende wijs
|
| tennisse |
aanvoegende wijs
|
| tennissend |
onvoltooid, deelwoord
|
| tenniste |
verleden tijd
|
| zal getennist hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal getennist hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zal getennist hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zal tennissen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
|
| zal tennissen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|
| zal tennissen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
|
| zou getennist hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou getennist hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou getennist hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zou tennissen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
|
| zou tennissen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zou tennissen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
|
| zouden getennist hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zouden getennist hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zouden getennist hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden tennissen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
|
| zouden tennissen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
|
| zouden tennissen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
|
| zoudt getennist hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt tennissen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zullen getennist hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zullen getennist hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zullen getennist hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen tennissen |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| zullen tennissen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
|
| zullen tennissen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
|
| zullen tennissen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
|
| zult getennist hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult tennissen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|