tennis
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈtɛnɪsBetekenis
- balsport
- een balsport
- tennis
Hoe spreek je tennis uit?
/ˈtɛnɪs/
Tennis bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tennissen
- gebiedende wijs van tennissen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tennissen
Vervoeging van tennis
tennishele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘slagbalspel’ voor het eerst aangetroffen in 1901