Naar de inhoud

tellen

aantal bepalen

tellen is meer dan één woord

tellen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. aantal bepalen
  2. getallen oplopend opnoemen
  3. van belang zijn

Vervoeging van tellen

tellenhele werkwoord — teldeverleden tijd enkelvoud — teldenverleden tijd meervoud — geteldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik tel telde
jij telt telde
hij, zij, het telt telde
wij tellen telden
jullie tellen telden
zij tellen telden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
geteld verleden tijd, deelwoord
geteld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geteld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben geteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te tellen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen tellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
tel gebiedende wijs
telde verleden tijd
telle aanvoegende wijs
tellend onvoltooid, deelwoord
zal geteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal tellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal tellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal tellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou geteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou tellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou tellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou tellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden tellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden tellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden tellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt tellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen tellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen tellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen tellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen tellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult tellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord tel

Herkomst

In de betekenis van ‘rekenen, optellen’ voor het eerst aangetroffen in 901

Woordfamilie van tellen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geteld voltooid deelwoord tellen
getelde woordvorm tellen
telde verleden tijd tellen
telden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon tellen
telle aanvoegende wijs tellen
tellend onvoltooid deelwoord tellen
tellende woordvorm tellen
telt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon tellen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tellen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over tellen

Wat betekent tellen?
Tellen is een werkwoord. Het woord betekent: aantal bepalen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je tellen?
Je vervoegt tellen als volgt: de tegenwoordige tijd is tel, de verleden tijd is telde en het voltooid deelwoord is geteld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord tellen is 11 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. E 1
  3. L 3
  4. L 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 11 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

tellen levert met Wordfeud minimaal 11 en maximaal 51 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. E 1
  3. L 3
  4. L 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 11 zonder bonus
  8. 51 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

tellen telt 6 letters, waarvan 4 verschillende, want 2 letters komen er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

tellen in het kort

tellen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van tellen zijn 32 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort tellen bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

tellen: aantal bepalen
Deel tellen — standaardnederlands.nl