tellen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- aantal bepalen
- getallen oplopend opnoemen
- van belang zijn
Vervoeging van tellen
tellenhele werkwoord — teldeverleden tijd enkelvoud — teldenverleden tijd meervoud — geteldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | tel | telde |
| jij | telt | telde |
| hij, zij, het | telt | telde |
| wij | tellen | telden |
| jullie | tellen | telden |
| zij | tellen | telden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geteld | verleden tijd, deelwoord |
| geteld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geteld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te tellen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen tellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tel | gebiedende wijs |
| telde | verleden tijd |
| telle | aanvoegende wijs |
| tellend | onvoltooid, deelwoord |
| zal geteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal tellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal tellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal tellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou tellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou tellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen tellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen tellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen tellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult tellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord tel
Herkomst
In de betekenis van ‘rekenen, optellen’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van tellen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geteld | voltooid deelwoord | tellen |
| getelde | woordvorm | tellen |
| telde | verleden tijd | tellen |
| telden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | tellen |
| telle | aanvoegende wijs | tellen |
| tellend | onvoltooid deelwoord | tellen |
| tellende | woordvorm | tellen |
| telt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | tellen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tellen zijn vastgelegd.