teller
zelfstandig naamwoord /ˈtɛlər/Betekenis
- het getal boven de streep van een breuk
- een apparaat om aantallen te tellen; meter 2
Hoe spreek je teller uit?
/ˈtɛlər/
Teller bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɛ | bed |
| l | land |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een apparaat om aantallen te tellen; meter [2]
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tellers | meervoud |
| tellertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tellertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Afgeleid van tellen met het achtervoegsel -er. Dit is een leenvertaling van de Latijnse benaming numerator.
Woordfamilie van teller
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tellers | meervoud | teller |
| tellertje | verkleinwoord | teller |
| tellertjes | verkleinwoord meervoud | teller |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van teller zijn vastgelegd.