Naar de inhoud

kapotgaan

beschadigd raken waardoor iets niet meer functioneert

kapotgaan

werkwoord kaˈpɔtxan

Betekenis

  1. beschadigd raken waardoor iets niet meer functioneert

Hoe spreek je kapotgaan uit?

/kaˈpɔtxan/

Kapotgaan bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /kaˈpɔtxan/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
k kat
a maan
p pak
ɔ bot
t tak
x acht
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. het leven verliezen informal, obsolete

Vervoeging van kapotgaan

kapotgaanhele werkwoord — ging kapotverleden tijd enkelvoud — gingen kapotverleden tijd meervoud — kapotgegaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ga kapot ging kapot
jij gaat kapot ging kapot
hij, zij, het gaat kapot ging kapot
wij gaan kapot gingen kapot
jullie gaan kapot gingen kapot
zij gaan kapot gingen kapot
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben kapotgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent kapotgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
ga kapot gebiedende wijs
ging kapot verleden tijd
is kapotgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is kapotgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kapot te gaan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
kapot te zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
kapot zal gaan bijzin, toekomende tijd
kapot zou gaan bijzin, voorwaardelijk
kapot zouden gaan bijzin, voorwaardelijk
kapot zoudt gaan bijzin, voorwaardelijk
kapot zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
kapot zullen gaan bijzin, toekomende tijd
kapot zult gaan bijzin, toekomende tijd
kapotga bijzin, tegenwoordige tijd
kapotgaand onvoltooid, deelwoord
kapotgaat bijzin, tegenwoordige tijd
kapotgegaan verleden tijd, deelwoord
kapotgegaan te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
kapotgegaan zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
kapotging bijzin, verleden tijd
kapotgingen bijzin, verleden tijd
te zijn kapotgegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen kapotgaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart kapotgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren kapotgegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren kapotgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren kapotgegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
was kapotgegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was kapotgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was kapotgegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal kapotgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal kapotgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal kapotgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal kapotgaan bijzin, toekomende tijd
zal kapotgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal kapotgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal kapotgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn kapotgegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn kapotgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn kapotgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn kapotgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt kapotgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou kapotgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou kapotgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou kapotgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou kapotgaan bijzin, voorwaardelijk
zou kapotgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou kapotgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou kapotgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) kapotgaan kapot zou(dt) gaan bijzin, voorwaardelijk
zouden kapotgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden kapotgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden kapotgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden kapotgaan bijzin, voorwaardelijk
zouden kapotgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden kapotgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden kapotgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt kapotgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt kapotgaan bijzin, voorwaardelijk
zoudt kapotgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen kapotgaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen kapotgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen kapotgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen kapotgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen kapotgaan bijzin, toekomende tijd
zullen kapotgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen kapotgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen kapotgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult kapotgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult kapotgaan bijzin, toekomende tijd
zult kapotgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal kapotgaan kapot zult/zal gaan bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van kapot bn en gaan ww

Woordfamilie van kapotgaan

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ga kapot gebiedende wijs kapotgaan
gaan kapot aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon kapotgaan
gaat kapot aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon kapotgaan
ging kapot verleden tijd kapotgaan
gingen kapot aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon kapotgaan
kapotga subordinate-clause, tegenwoordige tijd kapotgaan
kapotgaand onvoltooid deelwoord kapotgaan
kapotgaande woordvorm kapotgaan
kapotgaat subordinate-clause, tegenwoordige tijd kapotgaan
kapotgegaan voltooid deelwoord kapotgaan
kapotging subordinate-clause, verleden tijd kapotgaan
kapotgingen subordinate-clause, verleden tijd kapotgaan

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kapotgaan zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over kapotgaan

Hoe spreek je kapotgaan uit?
De uitspraak van kapotgaan is: /kaˈpɔtxan/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent kapotgaan?
Kapotgaan is een werkwoord. Het woord betekent: beschadigd raken waardoor iets niet meer functioneert. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je kapotgaan?
Je vervoegt kapotgaan als volgt: het voltooid deelwoord is kapotgegaan. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord kapotgaan is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. K 3
  2. A 1
  3. P 3
  4. O 1
  5. T 2
  6. G 3
  7. A 1
  8. A 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

kapotgaan levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. K 3
  2. A 1
  3. P 4
  4. O 1
  5. T 2
  6. G 3
  7. A 1
  8. A 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

kapotgaan in het kort

kapotgaan staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van kapotgaan zijn 46 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort kapotgaan bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

kapotgaan: beschadigd raken waardoor iets niet meer functioneert
Deel kapotgaan — standaardnederlands.nl