strengelen
werkwoordBetekenis
- zich ~: zich slingeren
Vervoeging van strengelen
strengelenhele werkwoord — gestrengeldvoltooid deelwoord
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gestrengeld | verleden tijd, deelwoord |
| strengel me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| strengel u/je , strengelt je | gebiedende wijs |
| strengelde | verleden tijd |
| strengelde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| strengelde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| strengelde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| strengelde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| strengelde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| strengelde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| strengelde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| strengelden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| strengelden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| strengelden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| strengele zich | aanvoegende wijs |
| strengelen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| strengelen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| strengelen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| strengelt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| strengelt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| strengelt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| strengelt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| strengelt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| strengelt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| zal me strengelen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich strengelen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je strengelen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gestrengeld hebben | verleden tijd |
| zich strengelend | onvoltooid, deelwoord |
| zullen je strengelen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons strengelen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich strengelen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u strengelen | tweede persoon |
| zult u strengelen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u strengelen | tweede persoon |
| zult zich/u strengelen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Woordfamilie van strengelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gestrengeld | voltooid deelwoord | strengelen |
| strengel | woordvorm | strengelen |
| strengelde | verleden tijd | strengelen |
| strengelden | woordvorm | strengelen |
| strengele | woordvorm | strengelen |
| strengelend | woordvorm | strengelen |
| strengelende | woordvorm | strengelen |
| strengelt | woordvorm | strengelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van strengelen zijn vastgelegd.