wikkelen
werkwoordBetekenis
- draaiend iets buigzaams rond een voorwerp aanbrengen
Vervoeging van wikkelen
wikkelenhele werkwoord — wikkeldeverleden tijd enkelvoud — wikkeldenverleden tijd meervoud — gewikkeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wikkel | wikkelde |
| jij | wikkelt | wikkelde |
| hij, zij, het | wikkelt | wikkelde |
| wij | wikkelen | wikkelden |
| jullie | wikkelen | wikkelden |
| zij | wikkelen | wikkelden |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is gewikkeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gewikkeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gewikkeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gewikkeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gewikkeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gewikkeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gewikkeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gewikkeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gewikkeld | verleden tijd, deelwoord |
| gewikkeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gewikkeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gewikkeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewikkeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewikkeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewikkeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gewikkeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gewikkeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gewikkeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gewikkeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gewikkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gewikkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gewikkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gewikkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gewikkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gewikkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gewikkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gewikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewikkeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gewikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gewikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gewikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gewikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gewikkeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te wikkelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wikkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren gewikkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gewikkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gewikkeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden gewikkeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| wikkel | gebiedende wijs |
| wikkelde | verleden tijd |
| wikkele | aanvoegende wijs |
| wikkelend | onvoltooid, deelwoord |
| worden gewikkeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gewikkeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gewikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gewikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gewikkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gewikkeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal wikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gewikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou gewikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gewikkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gewikkeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gewikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gewikkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gewikkeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gewikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt wikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gewikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gewikkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gewikkeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen wikkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen wikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen wikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen wikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gewikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult wikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘inrollen’ voor het eerst aangetroffen in 1576
Woordfamilie van wikkelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gewikkeld | voltooid deelwoord | wikkelen |
| gewikkelde | woordvorm | wikkelen |
| wikkelde | verleden tijd | wikkelen |
| wikkelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | wikkelen |
| wikkele | aanvoegende wijs | wikkelen |
| wikkelend | onvoltooid deelwoord | wikkelen |
| wikkelende | woordvorm | wikkelen |
| wikkelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | wikkelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wikkelen zijn vastgelegd.