Naar de inhoud

oprollen

zich ~, tot een rol vormen

oprollen

werkwoord ˈɔprɔlə(n)

Betekenis

  1. zich ~, tot een rol vormen
  2. ergens een rol van maken
  3. een (semi-)georganiseerde groep arresteren

Hoe spreek je oprollen uit?

/ˈɔprɔlən/

Oprollen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔprɔlən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
p pak
r rood
l land
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van oprollen

oprollenhele werkwoord — rolde opverleden tijd enkelvoud — rolden opverleden tijd meervoud — opgeroldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rol op rolde op
jij rolt op rolde op
hij, zij, het rolt op rolde op
wij rollen op rolden op
jullie rollen op rolden op
zij rollen op rolden op
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgerold voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgerold voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgerold impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgerold impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgerold impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgerold impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgerold worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgerold zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgerold worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgerold zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgerold voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgerold voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgerold voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgerold voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgerold voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgerold voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgerold voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgerold voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgerold actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgerold voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgerold voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgerold voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgerold voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgerold voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgerold voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgerold voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgerold voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te rollen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen rollen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal rollen bijzin, toekomende tijd
op zou rollen bijzin, voorwaardelijk
op zouden rollen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt rollen bijzin, voorwaardelijk
op zullen rollen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen rollen bijzin, toekomende tijd
op zult rollen bijzin, toekomende tijd
opgerold verleden tijd, deelwoord
opgerold te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgerold te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgerold te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgerold te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgerold te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgerold worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgerold zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgerold zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgerold zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgerold zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
oprol bijzin, tegenwoordige tijd
oprolde bijzin, verleden tijd
oprolden bijzin, verleden tijd
oprollend onvoltooid, deelwoord
oprolt bijzin, tegenwoordige tijd
rol op gebiedende wijs
rolde op verleden tijd
te hebben opgerold actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen oprollen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgerold voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgerold voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgerold voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgerold voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgerold voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgerold voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgerold voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgerold enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgerold enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgerold enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgerold enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgerold enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgerold enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgerold enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgerold enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgerold enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgerold enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgerold enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgerold enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgerold enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgerold hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgerold hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgerold hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgerold worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgerold worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgerold zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgerold zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal oprollen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal oprollen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal oprollen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal oprollen bijzin, toekomende tijd
zijn opgerold voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgerold voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgerold voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgerold voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgerold hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgerold hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgerold hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgerold worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgerold worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgerold worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgerold zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgerold zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgerold zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou oprollen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou oprollen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou oprollen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou oprollen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) oprollen op zou(dt) rollen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgerold hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgerold hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgerold hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgerold worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgerold worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgerold worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgerold zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgerold zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgerold zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden oprollen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden oprollen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden oprollen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden oprollen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgerold hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgerold worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgerold zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt oprollen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt oprollen bijzin, voorwaardelijk
zullen opgerold hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgerold hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgerold hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgerold worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgerold worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgerold worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgerold zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgerold zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgerold zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen oprollen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen oprollen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen oprollen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen oprollen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen oprollen bijzin, toekomende tijd
zult opgerold hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op bw en rollen ww

Woordfamilie van oprollen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgerold voltooid deelwoord oprollen
oprol subordinate-clause, tegenwoordige tijd oprollen
oprolde subordinate-clause, verleden tijd oprollen
oprolden subordinate-clause, verleden tijd oprollen
oprolle with-subordinate-clause oprollen
oprollend onvoltooid deelwoord oprollen
oprollende woordvorm oprollen
oprolt subordinate-clause, tegenwoordige tijd oprollen
rol op gebiedende wijs oprollen
rolde op verleden tijd oprollen
rolden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon oprollen
rolle op woordvorm oprollen
rollen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon oprollen
rolt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon oprollen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oprollen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over oprollen

Hoe spreek je oprollen uit?
De uitspraak van oprollen is: /ˈɔprɔlə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent oprollen?
Oprollen is een werkwoord. Het woord betekent: zich ~, tot een rol vormen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je oprollen?
Je vervoegt oprollen als volgt: het voltooid deelwoord is opgerold. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord oprollen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. R 2
  4. O 1
  5. L 3
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

oprollen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. R 2
  4. O 1
  5. L 3
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

oprollen in het kort

oprollen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van oprollen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort oprollen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

oprollen: zich ~, tot een rol vormen
Deel oprollen — standaardnederlands.nl