streng
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, werkwoord strɛŋBetekenis
- een van de dunne touwen waaruit een koord bestaat
- bundel van gedraaide of gewonden draden
- draad met geregen steentjes, kralen e.d.
- stevige (dubbel genaaide) leren riem waarmee een trekdier aan het gareelblok van een wagen is verbonden om deze te kunnen voortbewegen
- orgaan of deel van een orgaan dat op een bundel draden lijkt
- zonder ruimte voor tegenspraak
Hoe spreek je streng uit?
/strɛŋ/
Streng bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| r | rood |
| ɛ | bed |
| ŋ | ding |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| strengen | meervoud |
| strengetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| strengetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van strengen
- gebiedende wijs van strengen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van strengen
Vervoeging van streng
strenghele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘koord, bundel draden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1177
Woordfamilie van streng
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| strenger | woordvorm | streng |
| strengere | woordvorm | streng |
| strengers | woordvorm | streng |
| strengetje | verkleinwoord | streng |
| strengetjes | verkleinwoord meervoud | streng |
| strengs | woordvorm | streng |
| strengst | woordvorm | streng |
| strengste | woordvorm | streng |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van streng zijn vastgelegd.