stilzitten
werkwoordBetekenis
- letterlijk onbeweeglijk zitten
- overdrachtelijk geen actie ondernemen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van stilzitten
stilzittenhele werkwoord — zat stilverleden tijd enkelvoud — zaten stilverleden tijd meervoud — stilgezetenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zit stil | zat stil |
| jij | zit stil | zat stil |
| hij, zij, het | zit stil | zat stil |
| wij | zitten stil | zaten stil |
| jullie | zitten stil | zaten stil |
| zij | zitten stil | zaten stil |
Alle 81 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is stilgezeten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was stilgezeten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd stilgezeten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt stilgezeten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal stilgezeten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal stilgezeten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou stilgezeten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou stilgezeten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had stilgezeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had stilgezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had stilgezeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden stilgezeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden stilgezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden stilgezeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt stilgezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb stilgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben stilgezeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben stilgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben stilgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben stilgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt stilgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft stilgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft stilgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stil te zitten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| stil te zullen zitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stil zal zitten | bijzin, toekomende tijd |
| stil zou zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| stil zouden zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| stil zoudt zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| stil zullen zitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stil zullen zitten | bijzin, toekomende tijd |
| stil zult zitten | bijzin, toekomende tijd |
| stilgezeten | verleden tijd, deelwoord |
| stilgezeten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stilgezeten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stilzat | bijzin, verleden tijd |
| stilzaten | bijzin, verleden tijd |
| stilzit | bijzin, tegenwoordige tijd |
| stilzittend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben stilgezeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stilzitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal stilgezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal stilgezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal stilgezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stilzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stilzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stilzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal stilzitten | bijzin, toekomende tijd |
| zat stil | verleden tijd |
| zit stil | gebiedende wijs |
| zou stilgezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou stilgezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou stilgezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stilzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stilzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stilzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou stilzitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) stilzitten stil zou(dt) zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden stilgezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden stilgezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden stilgezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stilzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stilzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stilzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden stilzitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt stilgezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stilzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt stilzitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen stilgezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen stilgezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen stilgezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stilzitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stilzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stilzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stilzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen stilzitten | bijzin, toekomende tijd |
| zult stilgezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stilzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult stilzitten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal stilzitten stil zult/zal zitten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van stil en zitten
Woordfamilie van stilzitten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stilgezeten | voltooid deelwoord | stilzitten |
| stilzat | subordinate-clause, verleden tijd | stilzitten |
| stilzaten | subordinate-clause, verleden tijd | stilzitten |
| stilzit | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | stilzitten |
| stilzitte | with-subordinate-clause | stilzitten |
| stilzittend | onvoltooid deelwoord | stilzitten |
| stilzittende | woordvorm | stilzitten |
| zat stil | verleden tijd | stilzitten |
| zaten stil | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | stilzitten |
| zit stil | gebiedende wijs | stilzitten |
| zitte stil | woordvorm | stilzitten |
| zitten stil | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | stilzitten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stilzitten zijn vastgelegd.