stilzwijgen
werkwoordBetekenis
- trachten de aandacht niet op iets te laten vallen, moedwillig uit het nieuws houden
- tweede betekenisomschrijving.
- enz.
werkwoord
- ergens niet over praten
Vervoeging van stilzwijgen
stilzwijgenhele werkwoord — zweeg stilverleden tijd enkelvoud — zwegen stilverleden tijd meervoud — stilgezwegenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zwijg stil | zweeg stil |
| jij | zwijgt stil | zweeg stil |
| hij, zij, het | zwijgt stil | zweeg stil |
| wij | zwijgen stil | zwegen stil |
| jullie | zwijgen stil | zwegen stil |
| zij | zwijgen stil | zwegen stil |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had stilgezwegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had stilgezwegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had stilgezwegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden stilgezwegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden stilgezwegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden stilgezwegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt stilgezwegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb stilgezwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben stilgezwegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben stilgezwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben stilgezwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben stilgezwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt stilgezwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft stilgezwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft stilgezwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stil te zullen zwijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stil te zwijgen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| stil zal zwijgen | bijzin, toekomende tijd |
| stil zou zwijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| stil zouden zwijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| stil zoudt zwijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| stil zullen zwijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stil zullen zwijgen | bijzin, toekomende tijd |
| stil zult zwijgen | bijzin, toekomende tijd |
| stilgezwegen | verleden tijd, deelwoord |
| stilgezwegen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stilgezwegen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stilzweeg | bijzin, verleden tijd |
| stilzwegen | bijzin, verleden tijd |
| stilzwijg | bijzin, tegenwoordige tijd |
| stilzwijgend | onvoltooid, deelwoord |
| stilzwijgt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te hebben stilgezwegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stilzwijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal stilgezwegen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal stilgezwegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal stilgezwegen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stilzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stilzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stilzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal stilzwijgen | bijzin, toekomende tijd |
| zou stilgezwegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou stilgezwegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou stilgezwegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stilzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stilzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stilzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou stilzwijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) stilzwijgen stil zou(dt) zwijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden stilgezwegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden stilgezwegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden stilgezwegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stilzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stilzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stilzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden stilzwijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt stilgezwegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stilzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt stilzwijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen stilgezwegen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen stilgezwegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen stilgezwegen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stilzwijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stilzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stilzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stilzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen stilzwijgen | bijzin, toekomende tijd |
| zult stilgezwegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stilzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult stilzwijgen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal stilzwijgen stil zult/zal zwijgen | bijzin, toekomende tijd |
| zweeg stil | verleden tijd |
| zwijg stil | gebiedende wijs |
Herkomst
samenstelling van stil en zwijgen
Woordfamilie van stilzwijgen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stilgezwegen | voltooid deelwoord | stilzwijgen |
| stilzweeg | subordinate-clause, verleden tijd | stilzwijgen |
| stilzwegen | subordinate-clause, verleden tijd | stilzwijgen |
| stilzwijg | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | stilzwijgen |
| stilzwijge | with-subordinate-clause | stilzwijgen |
| stilzwijgt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | stilzwijgen |
| zweeg stil | verleden tijd | stilzwijgen |
| zwegen stil | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | stilzwijgen |
| zwijg stil | gebiedende wijs | stilzwijgen |
| zwijge stil | woordvorm | stilzwijgen |
| zwijgen stil | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | stilzwijgen |
| zwijgt stil | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | stilzwijgen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stilzwijgen zijn vastgelegd.