stilzetten
werkwoordBetekenis
- iets geheel van zijn snelheid beroven
Vervoeging van stilzetten
stilzettenhele werkwoord — zette stilverleden tijd enkelvoud — zetten stilverleden tijd meervoud — stilgezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zet stil | zette stil |
| jij | zet stil | zette stil |
| hij, zij, het | zet stil | zette stil |
| wij | zetten stil | zetten stil |
| jullie | zetten stil | zetten stil |
| zij | zetten stil | zetten stil |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben stilgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent stilgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is stilgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was stilgezet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd stilgezet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt stilgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal stilgezet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal stilgezet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou stilgezet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou stilgezet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had stilgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had stilgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had stilgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden stilgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden stilgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden stilgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt stilgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb stilgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben stilgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben stilgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben stilgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben stilgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt stilgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft stilgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft stilgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is stilgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is stilgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stil te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| stil te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stil zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
| stil zou zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| stil zouden zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| stil zoudt zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| stil zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stil zullen zetten | bijzin, toekomende tijd |
| stil zult zetten | bijzin, toekomende tijd |
| stilgezet | verleden tijd, deelwoord |
| stilgezet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| stilgezet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| stilgezet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stilgezet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stilgezet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stilgezet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| stilgezet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| stilgezet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stilgezet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stilgezet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stilzet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| stilzette | bijzin, verleden tijd |
| stilzettend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben stilgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stilzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart stilgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren stilgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren stilgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren stilgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was stilgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was stilgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was stilgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd stilgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd stilgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd stilgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden stilgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden stilgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden stilgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt stilgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word stilgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden stilgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden stilgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden stilgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt stilgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt stilgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal stilgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal stilgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal stilgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stilgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal stilgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal stilgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal stilgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stilzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stilzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stilzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal stilzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zet stil | gebiedende wijs |
| zette stil | verleden tijd |
| zijn stilgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn stilgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn stilgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt stilgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou stilgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou stilgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou stilgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stilgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou stilgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou stilgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou stilgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou stilgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou stilgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stilzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stilzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stilzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou stilzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) stilzetten stil zou(dt) zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden stilgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden stilgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden stilgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stilgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stilgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stilgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stilgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden stilgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden stilgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stilzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stilzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stilzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden stilzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt stilgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stilgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stilgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stilzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt stilzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen stilgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen stilgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen stilgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stilgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stilgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stilgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stilgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen stilgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen stilgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stilzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stilzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stilzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stilzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen stilzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zult stilgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stilgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stilgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van stilzetten
Vervoeging van stilzetten
stilzettenhele werkwoord — zette stilverleden tijd enkelvoud — zetten stilverleden tijd meervoud — stilgezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zet stil | zette stil |
| jij | zet stil | zette stil |
| hij, zij, het | zet stil | zette stil |
| wij | zetten stil | zetten stil |
| jullie | zetten stil | zetten stil |
| zij | zetten stil | zetten stil |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben stilgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent stilgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is stilgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was stilgezet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd stilgezet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt stilgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal stilgezet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal stilgezet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou stilgezet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou stilgezet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had stilgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had stilgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had stilgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden stilgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden stilgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden stilgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt stilgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb stilgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben stilgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben stilgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben stilgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben stilgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt stilgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft stilgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft stilgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is stilgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is stilgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stil te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| stil te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stil zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
| stil zou zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| stil zouden zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| stil zoudt zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| stil zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stil zullen zetten | bijzin, toekomende tijd |
| stil zult zetten | bijzin, toekomende tijd |
| stilgezet | verleden tijd, deelwoord |
| stilgezet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| stilgezet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| stilgezet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stilgezet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stilgezet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stilgezet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| stilgezet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| stilgezet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stilgezet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stilgezet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stilzet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| stilzette | bijzin, verleden tijd |
| stilzettend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben stilgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stilzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart stilgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren stilgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren stilgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren stilgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was stilgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was stilgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was stilgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd stilgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd stilgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd stilgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden stilgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden stilgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden stilgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt stilgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word stilgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden stilgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden stilgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden stilgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt stilgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt stilgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal stilgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal stilgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal stilgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stilgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal stilgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal stilgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal stilgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stilzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stilzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stilzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal stilzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zet stil | gebiedende wijs |
| zette stil | verleden tijd |
| zijn stilgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn stilgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn stilgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt stilgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou stilgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou stilgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou stilgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stilgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou stilgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou stilgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou stilgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou stilgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou stilgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stilzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stilzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stilzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou stilzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) stilzetten stil zou(dt) zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden stilgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden stilgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden stilgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stilgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stilgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stilgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stilgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden stilgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden stilgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stilzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stilzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stilzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden stilzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt stilgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stilgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stilgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stilzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt stilzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen stilgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen stilgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen stilgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stilgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stilgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stilgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stilgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen stilgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen stilgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stilzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stilzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stilzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stilzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen stilzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zult stilgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stilgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stilgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van stil en zetten
Woordfamilie van stilzetten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stilgezet | voltooid deelwoord | stilzetten |
| stilgezette | woordvorm | stilzetten |
| stilzet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | stilzetten |
| stilzette | subordinate-clause, verleden tijd | stilzetten |
| stilzettend | onvoltooid deelwoord | stilzetten |
| stilzettende | woordvorm | stilzetten |
| zet stil | gebiedende wijs | stilzetten |
| zette stil | verleden tijd | stilzetten |
| zetten stil | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | stilzetten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stilzetten zijn vastgelegd.