stilvallen
werkwoordBetekenis
- niet langer van zich laten horen
- ophouden actief te zijn
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van stilvallen
stilvallenhele werkwoord — viel stilverleden tijd enkelvoud — vielen stilverleden tijd meervoud — stilgevallenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | val stil | viel stil |
| jij | valt stil | viel stil |
| hij, zij, het | valt stil | viel stil |
| wij | vallen stil | vielen stil |
| jullie | vallen stil | vielen stil |
| zij | vallen stil | vielen stil |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben stilgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent stilgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is stilgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is stilgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stil te vallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| stil te zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stil zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
| stil zou vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| stil zouden vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| stil zoudt vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| stil zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stil zullen vallen | bijzin, toekomende tijd |
| stil zult vallen | bijzin, toekomende tijd |
| stilgevallen | verleden tijd, deelwoord |
| stilgevallen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stilgevallen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stilval | bijzin, tegenwoordige tijd |
| stilvallend | onvoltooid, deelwoord |
| stilvalt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| stilviel | bijzin, verleden tijd |
| stilvielen | bijzin, verleden tijd |
| stilvielt | bijzin, verleden tijd |
| te zijn stilgevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stilvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| val stil | gebiedende wijs |
| viel stil | verleden tijd |
| waart stilgevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren stilgevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren stilgevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren stilgevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was stilgevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was stilgevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was stilgevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal stilgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal stilgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal stilgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stilvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stilvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stilvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal stilvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn stilgevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn stilgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn stilgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn stilgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt stilgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou stilgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou stilgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou stilgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stilvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stilvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stilvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou stilvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) stilvallen stil zou(dt) vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden stilgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden stilgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden stilgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stilvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stilvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stilvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden stilvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt stilgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stilvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt stilvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen stilgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen stilgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen stilgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stilvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stilvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stilvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stilvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen stilvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult stilgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stilvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult stilvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal stilvallen stil zult/zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van stil en vallen
Woordfamilie van stilvallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stilgevallen | voltooid deelwoord | stilvallen |
| stilval | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | stilvallen |
| stilvalle | with-subordinate-clause | stilvallen |
| stilvallend | onvoltooid deelwoord | stilvallen |
| stilvallende | woordvorm | stilvallen |
| stilvalt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | stilvallen |
| stilviel | subordinate-clause, verleden tijd | stilvallen |
| stilvielen | subordinate-clause, verleden tijd | stilvallen |
| val stil | gebiedende wijs | stilvallen |
| valle stil | woordvorm | stilvallen |
| vallen stil | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | stilvallen |
| valt stil | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | stilvallen |
| viel stil | verleden tijd | stilvallen |
| vielen stil | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | stilvallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stilvallen zijn vastgelegd.