spurten
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈspʏrtə(n)Betekenis
- korte tijd extra vaart maken
- in een race korte tijd het tempo sterk verhogen om andere deelnemers af te schudden
Hoe spreek je spurten uit?
/ˈspʏrtən/
Spurten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| p | pak |
| ʏ | put |
| r | rood |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van spurten
spurtenhele werkwoord — spurtteverleden tijd enkelvoud — spurttenverleden tijd meervoud — gespurtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spurt | spurtte |
| jij | spurt | spurtte |
| hij, zij, het | spurt | spurtte |
| wij | spurten | spurtten |
| jullie | spurten | spurtten |
| zij | spurten | spurtten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gespurt | verleden tijd, deelwoord |
| gespurt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gespurt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gespurt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gespurt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gespurt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gespurt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gespurt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gespurt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gespurt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gespurt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gespurt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gespurt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gespurt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gespurt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gespurt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gespurt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gespurt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| spurt | gebiedende wijs |
| spurte | aanvoegende wijs |
| spurtend | onvoltooid, deelwoord |
| spurtte | verleden tijd |
| te hebben gespurt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te spurten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen spurten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gespurt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gespurt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gespurt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal spurten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal spurten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal spurten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gespurt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gespurt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gespurt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou spurten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou spurten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou spurten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gespurt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gespurt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gespurt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden spurten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden spurten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden spurten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gespurt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt spurten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gespurt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gespurt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gespurt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen spurten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen spurten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen spurten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen spurten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gespurt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult spurten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord spurt
Herkomst
[werkwoord] leenvertaling van Engels spurt, op te vatten als spurt met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van spurten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gespurt | voltooid deelwoord | spurten |
| spurte | aanvoegende wijs | spurten |
| spurtend | onvoltooid deelwoord | spurten |
| spurtende | woordvorm | spurten |
| spurtte | verleden tijd | spurten |
| spurtten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | spurten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spurten zijn vastgelegd.