spieken
werkwoord ˈspikə(n)Betekenis
- bedrog plegen bij een schooltest
Hoe spreek je spieken uit?
/ˈspikən/
Spieken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| p | pak |
| i | riet |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van spieken
spiekenhele werkwoord — spiekteverleden tijd enkelvoud — spiektenverleden tijd meervoud — gespiektvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spiek | spiekte |
| jij | spiekt | spiekte |
| hij, zij, het | spiekt | spiekte |
| wij | spieken | spiekten |
| jullie | spieken | spiekten |
| zij | spieken | spiekten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gespiekt | verleden tijd, deelwoord |
| gespiekt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gespiekt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gespiekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gespiekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gespiekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gespiekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gespiekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gespiekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gespiekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gespiekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gespiekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gespiekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gespiekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gespiekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gespiekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gespiekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gespiekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| spiek | gebiedende wijs |
| spieke | aanvoegende wijs |
| spiekend | onvoltooid, deelwoord |
| spiekte | verleden tijd |
| te hebben gespiekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te spieken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen spieken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gespiekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gespiekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gespiekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal spieken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal spieken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal spieken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gespiekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gespiekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gespiekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou spieken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou spieken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou spieken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gespiekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gespiekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gespiekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden spieken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden spieken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden spieken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gespiekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt spieken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gespiekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gespiekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gespiekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen spieken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen spieken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen spieken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen spieken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gespiekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult spieken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘afkijken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1934
Woordfamilie van spieken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gespiekt | voltooid deelwoord | spieken |
| gespiekte | woordvorm | spieken |
| spiek | gebiedende wijs | spieken |
| spieke | aanvoegende wijs | spieken |
| spiekend | onvoltooid deelwoord | spieken |
| spiekende | woordvorm | spieken |
| spiekt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | spieken |
| spiekte | verleden tijd | spieken |
| spiekten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | spieken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spieken zijn vastgelegd.