afkijken
werkwoord ˈɑfkɛikə(n)Betekenis
- een idee leren, kopiëren, stelen van iemand
- tot het einde toe bekijken
Hoe spreek je afkijken uit?
/ˈɑfkɛikən/
Afkijken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| k | kat |
| ɛi | trein |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van afkijken
afkijkenhele werkwoord — keek afverleden tijd enkelvoud — keken afverleden tijd meervoud — afgekekenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kijk af | keek af |
| jij | kijkt af | keek af |
| hij, zij, het | kijkt af | keek af |
| wij | kijken af | keken af |
| jullie | kijken af | keken af |
| zij | kijken af | keken af |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te kijken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen kijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal kijken | bijzin, toekomende tijd |
| af zou kijken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden kijken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt kijken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen kijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen kijken | bijzin, toekomende tijd |
| af zult kijken | bijzin, toekomende tijd |
| afgekeken | verleden tijd, deelwoord |
| afgekeken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgekeken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgekeken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgekeken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgekeken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgekeken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgekeken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgekeken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgekeken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgekeken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afkeek | bijzin, verleden tijd |
| afkeekt | bijzin, verleden tijd |
| afkeken | bijzin, verleden tijd |
| afkijk | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afkijkend | onvoltooid, deelwoord |
| afkijkt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben afgekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgekeken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgekeken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgekeken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgekeken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgekeken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgekeken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgekeken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgekeken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgekeken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgekeken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgekeken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgekeken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgekeken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgekeken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgekeken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgekeken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| keek af | verleden tijd |
| kijk af | gebiedende wijs |
| te hebben afgekeken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afkijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgekeken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgekeken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgekeken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgekeken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgekeken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgekeken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgekeken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgekeken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgekeken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgekeken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgekeken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgekeken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgekeken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgekeken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgekeken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgekeken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgekeken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgekeken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgekeken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgekeken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgekeken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgekeken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgekeken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgekeken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgekeken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgekeken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgekeken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afkijken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgekeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgekeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgekeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgekeken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgekeken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgekeken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgekeken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgekeken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgekeken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afkijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afkijken af zou(dt) kijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgekeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgekeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgekeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgekeken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgekeken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgekeken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgekeken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgekeken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgekeken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afkijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgekeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgekeken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgekeken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afkijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgekeken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgekeken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgekeken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgekeken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgekeken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgekeken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgekeken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgekeken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgekeken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afkijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afkijken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en kijken ww
Woordfamilie van afkijken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgekeken | voltooid deelwoord | afkijken |
| afkeek | subordinate-clause, verleden tijd | afkijken |
| afkeken | subordinate-clause, verleden tijd | afkijken |
| afkijk | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afkijken |
| afkijke | with-subordinate-clause | afkijken |
| afkijkend | onvoltooid deelwoord | afkijken |
| afkijkende | woordvorm | afkijken |
| afkijkt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afkijken |
| keek af | verleden tijd | afkijken |
| keken af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afkijken |
| kijk af | gebiedende wijs | afkijken |
| kijke af | woordvorm | afkijken |
| kijken af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afkijken |
| kijkt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afkijken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afkijken zijn vastgelegd.