Naar de inhoud

dieken

graven, opgraven

dieken

werkwoord ˈdikə(n)

Betekenis

  1. graven, opgraven
  2. op onderzoek uitgaan, iets uitzoeken
  3. je inlaten met dingen die je niet aangaan
  4. neuken

Hoe spreek je dieken uit?

/ˈdikən/

Dieken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈdikən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
d dak
i riet
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van dieken

diekenhele werkwoord — diekteverleden tijd enkelvoud — diektenverleden tijd meervoud — gediektvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik diek diekte
jij diekt diekte
hij, zij, het diekt diekte
wij dieken diekten
jullie dieken diekten
zij dieken diekten
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gediekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gediekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
diek gebiedende wijs
dieke aanvoegende wijs
diekend onvoltooid, deelwoord
diekte verleden tijd
er is gediekt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gediekt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gediekt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gediekt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gediekt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gediekt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gediekt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gediekt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gediekt verleden tijd, deelwoord
gediekt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gediekt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gediekt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gediekt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gediekt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gediekt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gediekt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gediekt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gediekt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gediekt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gediekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gediekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gediekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gediekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gediekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gediekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gediekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gediekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gediekt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gediekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gediekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gediekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gediekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gediekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gediekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gediekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gediekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te dieken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gediekt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen dieken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gediekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gediekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gediekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gediekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gediekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gediekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gediekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gediekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gediekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gediekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gediekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gediekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gediekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gediekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gediekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gediekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gediekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gediekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gediekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gediekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal dieken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal dieken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal dieken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gediekt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gediekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gediekt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gediekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gediekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gediekt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gediekt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gediekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gediekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gediekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gediekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou dieken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou dieken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou dieken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gediekt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gediekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gediekt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gediekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gediekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gediekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gediekt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gediekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gediekt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden dieken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden dieken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden dieken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gediekt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gediekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gediekt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gediekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gediekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gediekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gediekt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gediekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gediekt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt dieken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gediekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gediekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gediekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen dieken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen dieken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen dieken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen dieken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gediekt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gediekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gediekt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gediekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gediekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gediekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gediekt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gediekt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gediekt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult dieken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gediekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gediekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gediekt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

van Surinaams diki ww dat weer is ontleend aan Engels dig ww

Woordfamilie van dieken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
diek gebiedende wijs dieken
dieke aanvoegende wijs dieken
diekend onvoltooid deelwoord dieken
diekende woordvorm dieken
diekt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon dieken
diekte verleden tijd dieken
diekten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon dieken
gediekt voltooid deelwoord dieken
gediekte woordvorm dieken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dieken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over dieken

Hoe spreek ik dieken uit?
Zo spreek je dieken uit: /ˈdikə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van dieken?
Dieken is een werkwoord. De betekenis is: graven, opgraven. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik dieken?
Zo vervoeg je dieken zo: de tegenwoordige tijd is diek, de verleden tijd is diekte en het voltooid deelwoord is gediekt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op dieken?

Dieken rijmt op 27 woorden op -ieken; kieken, spieken en morgenkrieken bijvoorbeeld. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op dieken, uitspraak ˈdikən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
kieken 2
spieken 2
morgenkrieken 4
ochtendkrieken 4
antieken 3
aanpassingstactieken 6
aanpassingstechnieken 6
atoomfabrieken 5
cirkelgrafieken 5
detectivetechnieken 7
fabrieken 3
fietstechnieken 4
gicleedruktechnieken 6
historieken 4
homoplastieken 5
incivieken 4
kernwapenfabrieken 7
klassieken 3
krieken 2
kronieken 3
margarinefabrieken 7
natuurtechnieken 5
scholastieken 4
seksboetieken 4
sovjetrepublieken 6
spiegelfabrieken 5
zilverfabrieken 5

Scrabble punten

Naar spel

Het woord dieken is 9 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. I 1
  3. E 1
  4. K 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 9 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

dieken levert met Wordfeud minimaal 10 en maximaal 48 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. I 2
  3. E 1
  4. K 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 10 zonder bonus
  8. 48 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

dieken telt 6 letters, waarvan 5 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

dieken in het kort

dieken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van dieken staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort dieken bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

dieken: graven, opgraven
Deel dieken — standaardnederlands.nl