speech
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- redevoering, toespraak, rede, mondelinge voordracht in het openbaar
- toespraak
- conversatie
- spraak
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| speechen | meervoud |
| speeches | meervoud |
| speechje | verkleinwoord, enkelvoud |
| speechjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van speechen
- gebiedende wijs van speechen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van speechen
Vervoeging van speech
speechhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘redevoering’ voor het eerst aangetroffen in 1688-1696
Woordfamilie van speech
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| speeches | meervoud | speech |
| speechje | verkleinwoord | speech |
| speechjes | verkleinwoord meervoud | speech |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van speech zijn vastgelegd.