sollen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- met volstrekte willekeur behandelen
- moeten
- kunnen
werkwoord
- met volstrekte willekeur of respectloos behandelen transitive
Vervoeging van sollen
sollenhele werkwoord — soldeverleden tijd enkelvoud — soldenverleden tijd meervoud — gesoldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sol | solde |
| jij | solt | solde |
| hij, zij, het | solt | solde |
| wij | sollen | solden |
| jullie | sollen | solden |
| zij | sollen | solden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gesold | verleden tijd, deelwoord |
| gesold te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesold zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesold | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesold | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesold | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesold | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesold | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesold | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesold | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesold | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesold | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sol | gebiedende wijs |
| solde | verleden tijd |
| solle | aanvoegende wijs |
| sollend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesold | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te sollen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen sollen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesold hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesold hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesold hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal sollen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal sollen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal sollen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesold hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesold hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesold hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou sollen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou sollen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou sollen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesold hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesold hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesold hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden sollen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden sollen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden sollen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesold hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt sollen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesold hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesold hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesold hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen sollen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen sollen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen sollen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen sollen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesold hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult sollen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord sol
Herkomst
In de betekenis van ‘heen en weer trekken’ voor het eerst aangetroffen in 1655
Woordfamilie van sollen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesold | voltooid deelwoord | sollen |
| gesolde | woordvorm | sollen |
| solle | aanvoegende wijs | sollen |
| sollend | onvoltooid deelwoord | sollen |
| sollende | woordvorm | sollen |
| solt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | sollen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sollen zijn vastgelegd.