smikkelen
werkwoordBetekenis
- met smaak en genoegen eten
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van smikkelen
smikkelenhele werkwoord — smikkeldeverleden tijd enkelvoud — smikkeldenverleden tijd meervoud — gesmikkeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | smikkel | smikkelde |
| jij | smikkelt | smikkelde |
| hij, zij, het | smikkelt | smikkelde |
| wij | smikkelen | smikkelden |
| jullie | smikkelen | smikkelden |
| zij | smikkelen | smikkelden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gesmikkeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesmikkeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesmikkeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesmikkeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesmikkeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesmikkeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesmikkeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesmikkeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesmikkeld | verleden tijd, deelwoord |
| gesmikkeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesmikkeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesmikkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesmikkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesmikkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesmikkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesmikkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesmikkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesmikkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesmikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesmikkeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesmikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesmikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesmikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesmikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesmikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesmikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| smikkel | gebiedende wijs |
| smikkelde | verleden tijd |
| smikkele | aanvoegende wijs |
| smikkelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesmikkeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te smikkelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen smikkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesmikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesmikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesmikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal smikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal smikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal smikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesmikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesmikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesmikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou smikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou smikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou smikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesmikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesmikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesmikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden smikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden smikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden smikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesmikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt smikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesmikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesmikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesmikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen smikkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen smikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen smikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen smikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesmikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult smikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘snoepen’ voor het eerst aangetroffen in 1898
Woordfamilie van smikkelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesmikkeld | voltooid deelwoord | smikkelen |
| smikkelde | verleden tijd | smikkelen |
| smikkelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | smikkelen |
| smikkele | aanvoegende wijs | smikkelen |
| smikkelend | onvoltooid deelwoord | smikkelen |
| smikkelende | woordvorm | smikkelen |
| smikkelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | smikkelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van smikkelen zijn vastgelegd.