smullen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- genietend eten
- zeer genieten van iets
Vervoeging van smullen
smullenhele werkwoord — smuldeverleden tijd enkelvoud — smuldenverleden tijd meervoud — gesmuldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | smul | smulde |
| jij | smult | smulde |
| hij, zij, het | smult | smulde |
| wij | smullen | smulden |
| jullie | smullen | smulden |
| zij | smullen | smulden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gesmuld | verleden tijd, deelwoord |
| gesmuld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesmuld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesmuld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesmuld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesmuld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesmuld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesmuld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesmuld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesmuld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesmuld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesmuld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesmuld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesmuld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesmuld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesmuld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesmuld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesmuld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| smul | gebiedende wijs |
| smulde | verleden tijd |
| smulle | aanvoegende wijs |
| smullend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesmuld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te smullen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen smullen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesmuld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesmuld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesmuld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal smullen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal smullen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal smullen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesmuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesmuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesmuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou smullen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou smullen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou smullen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesmuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesmuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesmuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden smullen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden smullen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden smullen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesmuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt smullen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesmuld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesmuld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesmuld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen smullen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen smullen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen smullen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen smullen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesmuld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult smullen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord smul
Herkomst
Leenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘met welbehagen eten’ voor het eerst aangetroffen in 1501
Woordfamilie van smullen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesmuld | voltooid deelwoord | smullen |
| smulde | verleden tijd | smullen |
| smulden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | smullen |
| smulle | aanvoegende wijs | smullen |
| smullend | onvoltooid deelwoord | smullen |
| smullende | woordvorm | smullen |
| smult | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | smullen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van smullen zijn vastgelegd.