smashen
werkwoordBetekenis
- het slaan van een smash
Vervoeging van smashen
smashenhele werkwoord — smashteverleden tijd enkelvoud — smashtenverleden tijd meervoud — gesmashtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | smash | smashte |
| jij | smasht | smashte |
| hij, zij, het | smasht | smashte |
| wij | smashen | smashten |
| jullie | smashen | smashten |
| zij | smashen | smashten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gesmasht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesmasht | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesmasht | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesmasht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesmasht worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesmasht zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesmasht worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesmasht zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesmasht | verleden tijd, deelwoord |
| gesmasht te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesmasht zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesmasht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesmasht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesmasht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesmasht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesmasht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesmasht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesmasht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesmasht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesmasht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesmasht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesmasht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesmasht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesmasht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesmasht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesmasht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| smash | gebiedende wijs |
| smashe | aanvoegende wijs |
| smashend | onvoltooid, deelwoord |
| smashte | verleden tijd |
| te hebben gesmasht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te smashen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen smashen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesmasht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesmasht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesmasht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal smashen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal smashen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal smashen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesmasht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesmasht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesmasht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou smashen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou smashen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou smashen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesmasht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesmasht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesmasht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden smashen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden smashen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden smashen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesmasht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt smashen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesmasht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesmasht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesmasht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen smashen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen smashen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen smashen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen smashen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesmasht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult smashen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van smash met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van smashen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesmasht | voltooid deelwoord | smashen |
| gesmashte | woordvorm | smashen |
| smashe | aanvoegende wijs | smashen |
| smashend | onvoltooid deelwoord | smashen |
| smashende | woordvorm | smashen |
| smasht | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | smashen |
| smashte | verleden tijd | smashen |
| smashten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | smashen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van smashen zijn vastgelegd.