smash
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- (volleybal, tennis, badminton e.d.) snelle slag waarmee getracht wordt de bal in de helft van de tegenstanders in te slaan
- slag, klap
- botsen
- breken
- verpletteren
zelfstandig naamwoord — masculine
- snelle slag waarmee getracht wordt de bal in de helft van de tegenstanders in te slaan
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| smashes | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smashen
- gebiedende wijs van smashen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smashen
Vervoeging van smash
smashhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘harde slag’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1950
Woordfamilie van smash
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| smashes | meervoud | smash |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van smash zijn vastgelegd.