sluipen
werkwoord ˈslœypə(n)Betekenis
- zeer voorzichtig lopen, op zo'n manier dat ontdekking vermeden kan worden
Hoe spreek je sluipen uit?
/ˈslœypən/
Sluipen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| l | land |
| œy | huis |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van sluipen
sluipenhele werkwoord — sloopverleden tijd enkelvoud — slopenverleden tijd meervoud — geslopenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sluip | sloop |
| jij | sluipt | sloop |
| hij, zij, het | sluipt | sloop |
| wij | sluipen | slopen |
| jullie | sluipen | slopen |
| zij | sluipen | slopen |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben geslopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geslopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| geslopen | verleden tijd, deelwoord |
| geslopen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geslopen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is geslopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geslopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sloop | verleden tijd |
| sluip | gebiedende wijs |
| sluipe | aanvoegende wijs |
| sluipend | onvoltooid, deelwoord |
| te sluipen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn geslopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen sluipen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geslopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geslopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geslopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geslopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geslopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geslopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geslopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal geslopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geslopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geslopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal sluipen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal sluipen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal sluipen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geslopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn geslopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geslopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geslopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geslopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geslopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geslopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geslopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou sluipen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou sluipen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou sluipen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geslopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geslopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geslopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden sluipen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden sluipen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden sluipen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geslopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt sluipen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geslopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geslopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geslopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen sluipen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen sluipen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen sluipen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen sluipen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geslopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult sluipen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘zich onopgemerkt voortbewegen’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Woordfamilie van sluipen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geslopen | voltooid deelwoord | sluipen |
| sluip | gebiedende wijs | sluipen |
| sluipe | aanvoegende wijs | sluipen |
| sluipt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | sluipen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sluipen zijn vastgelegd.