Naar de inhoud

situeren

plaatsen (in ruimte of tijd)

situeren

werkwoord

Betekenis

  1. plaatsen (in ruimte of tijd)

Vervoeging van situeren

situerenhele werkwoord — situeerdeverleden tijd enkelvoud — situeerdenverleden tijd meervoud — gesitueerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik situeer situeerde
jij situeert situeerde
hij, zij, het situeert situeerde
wij situeren situeerden
jullie situeren situeerden
zij situeren situeerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gesitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gesitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gesitueerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gesitueerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gesitueerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gesitueerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gesitueerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gesitueerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gesitueerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gesitueerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gesitueerd verleden tijd, deelwoord
gesitueerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gesitueerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gesitueerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesitueerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesitueerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesitueerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gesitueerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gesitueerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gesitueerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gesitueerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gesitueerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gesitueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gesitueerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gesitueerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gesitueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gesitueerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gesitueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gesitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesitueerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gesitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gesitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gesitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gesitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gesitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
situeer gebiedende wijs
situeerde verleden tijd
situere aanvoegende wijs
situerend onvoltooid, deelwoord
te hebben gesitueerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te situeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen situeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gesitueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gesitueerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gesitueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gesitueerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gesitueerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gesitueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gesitueerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gesitueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gesitueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gesitueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gesitueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gesitueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gesitueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gesitueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gesitueerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gesitueerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gesitueerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gesitueerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gesitueerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gesitueerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gesitueerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesitueerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gesitueerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gesitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gesitueerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesitueerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal situeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal situeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal situeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gesitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gesitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gesitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gesitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gesitueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesitueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesitueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gesitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gesitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesitueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesitueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesitueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou situeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou situeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou situeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gesitueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gesitueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gesitueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gesitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gesitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gesitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gesitueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gesitueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gesitueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden situeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden situeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden situeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gesitueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gesitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gesitueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt situeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gesitueerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gesitueerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gesitueerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gesitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gesitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gesitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gesitueerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gesitueerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gesitueerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen situeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen situeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen situeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen situeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gesitueerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gesitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gesitueerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult situeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse situer (met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van situeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
situeer gebiedende wijs situeren
situeerde verleden tijd situeren
situeerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon situeren
situeert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon situeren
situere aanvoegende wijs situeren
situerend onvoltooid deelwoord situeren
situerende woordvorm situeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van situeren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over situeren

Wat is de betekenis van situeren?
Situeren is een werkwoord. De betekenis is: plaatsen (in ruimte of tijd).
Hoe vervoeg ik situeren?
Zo vervoeg je situeren zo: de tegenwoordige tijd is situeer, de verleden tijd is situeerde en het voltooid deelwoord is gesitueerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord situeren is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. I 1
  3. T 2
  4. U 4
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

situeren levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 51 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. U 2
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 zonder bonus
  10. 51 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (S) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

situeren in het kort

situeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van situeren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort situeren bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

situeren: plaatsen (in ruimte of tijd)
Deel situeren — standaardnederlands.nl