situeren
werkwoordBetekenis
- plaatsen (in ruimte of tijd)
Vervoeging van situeren
situerenhele werkwoord — situeerdeverleden tijd enkelvoud — situeerdenverleden tijd meervoud — gesitueerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | situeer | situeerde |
| jij | situeert | situeerde |
| hij, zij, het | situeert | situeerde |
| wij | situeren | situeerden |
| jullie | situeren | situeerden |
| zij | situeren | situeerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gesitueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gesitueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gesitueerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesitueerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesitueerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesitueerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesitueerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesitueerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesitueerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesitueerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesitueerd | verleden tijd, deelwoord |
| gesitueerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesitueerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesitueerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesitueerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesitueerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesitueerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesitueerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesitueerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesitueerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesitueerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesitueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesitueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesitueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesitueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesitueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesitueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesitueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesitueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesitueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesitueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesitueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesitueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesitueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesitueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesitueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gesitueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gesitueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| situeer | gebiedende wijs |
| situeerde | verleden tijd |
| situere | aanvoegende wijs |
| situerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesitueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te situeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen situeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gesitueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gesitueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gesitueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gesitueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gesitueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gesitueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gesitueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gesitueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gesitueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gesitueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gesitueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gesitueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gesitueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gesitueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gesitueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gesitueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gesitueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gesitueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gesitueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gesitueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gesitueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesitueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesitueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gesitueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesitueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gesitueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesitueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal situeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal situeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal situeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gesitueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gesitueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gesitueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gesitueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gesitueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesitueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesitueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gesitueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesitueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gesitueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesitueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesitueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesitueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou situeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou situeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou situeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesitueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesitueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesitueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gesitueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gesitueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gesitueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gesitueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesitueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesitueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden situeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden situeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden situeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesitueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gesitueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gesitueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt situeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesitueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesitueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesitueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gesitueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gesitueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gesitueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gesitueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesitueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesitueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen situeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen situeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen situeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen situeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesitueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gesitueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gesitueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult situeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse situer (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van situeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| situeer | gebiedende wijs | situeren |
| situeerde | verleden tijd | situeren |
| situeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | situeren |
| situeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | situeren |
| situere | aanvoegende wijs | situeren |
| situerend | onvoltooid deelwoord | situeren |
| situerende | woordvorm | situeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van situeren zijn vastgelegd.