schrooien
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- besnoeien, afsnijden
- met behulp van een sneldraaiend freesmes bijwerken van de kanten van de zool en de hak
- het met draaiende bewegingen verder uitboren van het gat in de klomp
- het laden van rondhout
- vaten of andere rolronde voorwerpen met behulp van touwen die er los omgeslagen zijn langs schuine liggers aflaten of ophalen
- zijwaarts afwijken of afglijden
Vervoeging van schrooien
schrooienhele werkwoord — schrooideverleden tijd enkelvoud — schrooidenverleden tijd meervoud — geschrooidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schrooi | schrooide |
| jij | schrooit | schrooide |
| hij, zij, het | schrooit | schrooide |
| wij | schrooien | schrooiden |
| jullie | schrooien | schrooiden |
| zij | schrooien | schrooiden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geschrooid | verleden tijd, deelwoord |
| geschrooid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschrooid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschrooid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschrooid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschrooid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschrooid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschrooid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschrooid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschrooid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschrooid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschrooid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschrooid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschrooid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschrooid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschrooid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschrooid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschrooid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schrooi | gebiedende wijs |
| schrooide | verleden tijd |
| schrooie | aanvoegende wijs |
| schrooiend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geschrooid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schrooien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schrooien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geschrooid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschrooid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschrooid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schrooien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schrooien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schrooien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geschrooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschrooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschrooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schrooien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schrooien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schrooien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschrooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschrooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschrooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schrooien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schrooien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schrooien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschrooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schrooien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschrooid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschrooid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschrooid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schrooien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schrooien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schrooien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schrooien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschrooid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schrooien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord schrooi
Herkomst
Komt van het Middelnederlandse scroden (snijden).
Woordfamilie van schrooien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschrooid | voltooid deelwoord | schrooien |
| geschrooide | woordvorm | schrooien |
| schrooi | gebiedende wijs | schrooien |
| schrooide | verleden tijd | schrooien |
| schrooiden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schrooien |
| schrooie | aanvoegende wijs | schrooien |
| schrooiend | onvoltooid deelwoord | schrooien |
| schrooiende | woordvorm | schrooien |
| schrooit | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schrooien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schrooien zijn vastgelegd.