schransen
werkwoordBetekenis
- met graagte en veel eten
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van schransen
schransenhele werkwoord — schransteverleden tijd enkelvoud — schranstenverleden tijd meervoud — geschranstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schrans | schranste |
| jij | schranst | schranste |
| hij, zij, het | schranst | schranste |
| wij | schransen | schransten |
| jullie | schransen | schransten |
| zij | schransen | schransten |
Alle 64 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geschranst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geschranst | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geschranst | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geschranst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geschranst worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geschranst zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geschranst worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geschranst zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geschranst | verleden tijd, deelwoord |
| geschranst te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschranst zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschranst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschranst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschranst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschranst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschranst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschranst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschranst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschranst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschranst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschranst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschranst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschranst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschranst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschranst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschranst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schrans | gebiedende wijs |
| schranse | aanvoegende wijs |
| schransend | onvoltooid, deelwoord |
| schranste | verleden tijd |
| schranzen | |
| te hebben geschranst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schransen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schransen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geschranst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschranst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschranst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schransen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schransen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schransen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geschranst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschranst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschranst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schransen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schransen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schransen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschranst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschranst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschranst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schransen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schransen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schransen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschranst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schransen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschranst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschranst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschranst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schransen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schransen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schransen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schransen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschranst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schransen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘overvloedig eten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599
Woordfamilie van schransen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschranst | voltooid deelwoord | schransen |
| schranse | aanvoegende wijs | schransen |
| schransend | onvoltooid deelwoord | schransen |
| schransende | woordvorm | schransen |
| schranste | verleden tijd | schransen |
| schransten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schransen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schransen zijn vastgelegd.