schoof
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- samengebonden hoeveelheid graanhalmen of andere afgemaaide gewassen
- een wiskundige structuur die aan de open verzamelingen van een topologische ruimte bepaalde algebraïsche structuren koppelt, bijvoorbeeld abelse groepen, ringen of modulen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schoofje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schoofjes | verkleinwoord, meervoud |
| schoven | meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud verleden tijd van schuiven
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schoven
- gebiedende wijs van schoven
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schoven
Vervoeging van schoof
schoofhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘bundel halmen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van schoof
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schoofje | verkleinwoord | schoof |
| schoofjes | verkleinwoord meervoud | schoof |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schoof zijn vastgelegd.