schisma
zelfstandig naamwoord ˈsxɪsmaBetekenis
- scheuring
- kerkscheuring
Hoe spreek je schisma uit?
/ˈsxɪsma/
Schisma bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| ɪ | pit |
| m | maan |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- uit elkaar vallen van een kerkgenootschap in twee delen door sterk verschillende opvattingen
- uit elkaar vallen van een ideologische groep in twee delen door sterk verschillende opvattingen figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schisma's | meervoud |
| schismaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schismaatjes | verkleinwoord, meervoud |
| schismata | meervoud |
Herkomst
van Latijn schisma, in de betekenis van ‘scheuring’ aangetroffen vanaf 1872
Woordfamilie van schisma
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schisma's | meervoud | schisma |
| schismaatje | verkleinwoord | schisma |
| schismaatjes | verkleinwoord meervoud | schisma |
| schismata | meervoud | schisma |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schisma zijn vastgelegd.