schimmel
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈsxɪməlBetekenis
- een paardenras met een grotendeels witte vacht met fijne grijze of blauwige tekening
- een zwamsoort of substantie die op dode of levende organismen groeit
Hoe spreek je schimmel uit?
/ˈsxɪməl/
Schimmel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| ɪ | pit |
| m | maan |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- paardenras met een grotendeels witte vacht met fijne grijze of blauwige tekening
- zwamsoort of substantie die op dode of levende organismen groeit
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schimmels | meervoud |
| schimmeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schimmeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schimmelen
- gebiedende wijs van schimmelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schimmelen
Vervoeging van schimmel
schimmelhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘wit paard’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1567
Woordfamilie van schimmel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schimmeltje | verkleinwoord | schimmel |
| schimmeltjes | verkleinwoord meervoud | schimmel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schimmel zijn vastgelegd.