schimmelen
werkwoordBetekenis
- met schimmel bedekt raken, beschimmelen
Vervoeging van schimmelen
schimmelenhele werkwoord — schimmeldeverleden tijd enkelvoud — schimmeldenverleden tijd meervoud — geschimmeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schimmel | schimmelde |
| jij | schimmelt | schimmelde |
| hij, zij, het | schimmelt | schimmelde |
| wij | schimmelen | schimmelden |
| jullie | schimmelen | schimmelden |
| zij | schimmelen | schimmelden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben geschimmeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geschimmeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| geschimmeld | verleden tijd, deelwoord |
| geschimmeld te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschimmeld zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is geschimmeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geschimmeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schimmel | gebiedende wijs |
| schimmelde | verleden tijd |
| schimmele | aanvoegende wijs |
| schimmelend | onvoltooid, deelwoord |
| te schimmelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn geschimmeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schimmelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geschimmeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geschimmeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geschimmeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geschimmeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geschimmeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geschimmeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geschimmeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal geschimmeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschimmeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschimmeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schimmelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schimmelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schimmelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geschimmeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn geschimmeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geschimmeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geschimmeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geschimmeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geschimmeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschimmeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschimmeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schimmelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schimmelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schimmelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschimmeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschimmeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschimmeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schimmelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schimmelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schimmelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschimmeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schimmelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschimmeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschimmeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschimmeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schimmelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schimmelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schimmelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schimmelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschimmeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schimmelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van schimmel met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van schimmelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschimmeld | voltooid deelwoord | schimmelen |
| schimmelde | verleden tijd | schimmelen |
| schimmelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schimmelen |
| schimmele | aanvoegende wijs | schimmelen |
| schimmelend | onvoltooid deelwoord | schimmelen |
| schimmelende | woordvorm | schimmelen |
| schimmelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schimmelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schimmelen zijn vastgelegd.