paddenstoel
zelfstandig naamwoord ˈpɑdə(n)stulBetekenis
- vruchtlichaam van een doorgaans onder de grond levende schimmel of zwam
- bepaald type wegwijzer langs een (Nederlands) voetpad of fietspad
Hoe spreek je paddenstoel uit?
/ˈpɑdənstul/
Paddenstoel bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɑ | bad |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
| s | sok |
| t | tak |
| u | boek |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als paddestoel.
zelfstandig naamwoord — masculine
- bepaald type wegwijzer langs een voetpad of fietspad
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| paddenstoelen | meervoud |
| paddenstoeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| paddenstoeltjes | verkleinwoord, meervoud |
| paddestoel |
Herkomst
van Middelnederlands paddenstoel, op te vatten als samenstelling van pad zn "kikker" en stoel zn "zitplaats" met het invoegsel -en- , in de betekenis van ‘zwam’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477 **[2] omdat de vorm aan een paddenstoel doet denken
Woordfamilie van paddenstoel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| paddenstoelen | meervoud | paddenstoel |
| paddenstoeltje | verkleinwoord | paddenstoel |
| paddenstoeltjes | verkleinwoord meervoud | paddenstoel |
| paddestoel | masculine | paddenstoel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van paddenstoel zijn vastgelegd.