schilder
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈsxɪldərBetekenis
- een kunstenaar die geschilderde afbeeldingen maakt
- een handwerksman die huizen schildert
Hoe spreek je schilder uit?
/ˈsxɪldər/
Schilder bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| ɪ | pit |
| l | land |
| d | dak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schilders | meervoud |
| schildertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schildertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schilderen
- gebiedende wijs van schilderen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schilderen
Vervoeging van schilder
schilderhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘verver’ voor het eerst aangetroffen in 1270
Woordfamilie van schilder
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schilders | meervoud | schilder |
| schildertje | verkleinwoord | schilder |
| schildertjes | verkleinwoord meervoud | schilder |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schilder zijn vastgelegd.