schil
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- (meestal makkelijk te vervormen) buitenlaag van bepaalde vruchten of knollen
- shell
- elektronenschil
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- buitenlaag van bepaalde vruchten of knollen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schillen | meervoud |
| schilletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schilletjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schillen
- gebiedende wijs van schillen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schillen
Vervoeging van schil
schilhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘buitenste bekleding van een vrucht’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Woordfamilie van schil
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schilletje | verkleinwoord | schil |
| schilletjes | verkleinwoord meervoud | schil |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schil zijn vastgelegd.