schikken
werkwoordBetekenis
- goed uitkomen
- aantrekkelijk arrangeren
- zich ~ naar een bepaald bewind aanvaarden en zich ernaar aanpassen
Vervoeging van schikken
schikkenhele werkwoord — schikteverleden tijd enkelvoud — schiktenverleden tijd meervoud — geschiktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schik | schikte |
| jij | schikt | schikte |
| hij, zij, het | schikt | schikte |
| wij | schikken | schikten |
| jullie | schikken | schikten |
| zij | schikken | schikten |
Alle 125 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is geschikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geschikt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geschikt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geschikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geschikt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geschikt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geschikt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geschikt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geschikt | verleden tijd, deelwoord |
| geschikt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geschikt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geschikt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschikt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschikt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschikt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geschikt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geschikt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschikt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschikt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschikt | verleden tijd, deelwoord |
| heeft geschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schik | gebiedende wijs |
| schik me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| schik u/je , schikt je | gebiedende wijs |
| schikke | aanvoegende wijs |
| schikke zich | aanvoegende wijs |
| schikken je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| schikken ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| schikken zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| schikkend | onvoltooid, deelwoord |
| schikt | tegenwoordige tijd |
| schikt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| schikt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| schikt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| schikt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| schikt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| schikt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| schikte | verleden tijd |
| schikte je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| schikte me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| schikte u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| schikte u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| schikte zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| schikte zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| schikte zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| schikten je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| schikten ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| schikten zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| te hebben geschikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schikken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren geschikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geschikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geschikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden geschikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden geschikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geschikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geschikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geschikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geschikt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me schikken | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal schikken | toekomende tijd |
| zal schikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich schikken | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je schikken | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich geschikt hebben | verleden tijd |
| zich schikkend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn geschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou geschikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geschikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geschikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geschikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geschikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geschikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geschikt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen je schikken | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons schikken | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen schikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen zich schikken | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult geschikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult u schikken | tweede persoon |
| zult u schikken | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u schikken | tweede persoon |
| zult zich/u schikken | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘regelen, ordenen’ voor het eerst aangetroffen in 1357
Woordfamilie van schikken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schikke | aanvoegende wijs | schikken |
| schikkend | onvoltooid deelwoord | schikken |
| schikkende | woordvorm | schikken |
| schikt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schikken |
| schikte | verleden tijd | schikken |
| schikten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schikken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schikken zijn vastgelegd.