Naar de inhoud

schikken

goed uitkomen

schikken

werkwoord

Betekenis

  1. goed uitkomen
  2. aantrekkelijk arrangeren
  3. zich ~ naar een bepaald bewind aanvaarden en zich ernaar aanpassen

Vervoeging van schikken

schikkenhele werkwoord — schikteverleden tijd enkelvoud — schiktenverleden tijd meervoud — geschiktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schik schikte
jij schikt schikte
hij, zij, het schikt schikte
wij schikken schikten
jullie schikken schikten
zij schikken schikten
Alle 125 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
er is geschikt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geschikt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geschikt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geschikt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geschikt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geschikt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geschikt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geschikt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geschikt verleden tijd, deelwoord
geschikt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geschikt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geschikt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschikt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschikt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschikt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geschikt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geschikt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geschikt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geschikt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geschikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geschikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geschikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geschikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geschikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geschikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geschikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geschikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschikt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geschikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geschikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geschikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschikt verleden tijd, deelwoord
heeft geschikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geschikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
schik gebiedende wijs
schik me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
schik u/je , schikt je gebiedende wijs
schikke aanvoegende wijs
schikke zich aanvoegende wijs
schikken je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
schikken ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
schikken zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
schikkend onvoltooid, deelwoord
schikt tegenwoordige tijd
schikt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
schikt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
schikt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
schikt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
schikt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
schikt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
schikte verleden tijd
schikte je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
schikte me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
schikte u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
schikte u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
schikte zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
schikte zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
schikte zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
schikten je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
schikten ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
schikten zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
te hebben geschikt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te schikken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen schikken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waren geschikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geschikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geschikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden geschikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
worden geschikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geschikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal geschikt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschikt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geschikt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geschikt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geschikt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me schikken eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal schikken toekomende tijd
zal schikken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal schikken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal schikken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich schikken derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je schikken tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich geschikt hebben verleden tijd
zich schikkend onvoltooid, deelwoord
zijn geschikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zou geschikt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschikt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschikt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geschikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geschikt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou schikken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou schikken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou schikken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geschikt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geschikt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geschikt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geschikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geschikt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden schikken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden schikken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden schikken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geschikt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt schikken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geschikt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geschikt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geschikt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geschikt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geschikt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen je schikken tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons schikken eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen schikken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen schikken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen schikken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen schikken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen zich schikken derde persoon, toekomende tijd, meervoud
zult geschikt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult schikken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult u schikken tweede persoon
zult u schikken tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult zich/u schikken tweede persoon
zult zich/u schikken tweede persoon, toekomende tijd, meervoud

Herkomst

In de betekenis van ‘regelen, ordenen’ voor het eerst aangetroffen in 1357

Woordfamilie van schikken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
schikke aanvoegende wijs schikken
schikkend onvoltooid deelwoord schikken
schikkende woordvorm schikken
schikt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon schikken
schikte verleden tijd schikken
schikten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon schikken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schikken zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over schikken

Wat is de betekenis van schikken?
Schikken is een werkwoord. De betekenis is: goed uitkomen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik schikken?
Zo vervoeg je schikken zo: de tegenwoordige tijd is schik, de verleden tijd is schikte en het voltooid deelwoord is geschikt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord schikken is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. I 1
  5. K 3
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

schikken levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. I 2
  5. K 3
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 21 zonder bonus
  10. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

schikken in het kort

schikken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van schikken staan er 93 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort schikken bij een woordfamilie van 6 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

schikken: goed uitkomen
Deel schikken — standaardnederlands.nl