schellen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- de schel laten klinken om de aandacht van een bediende te trekken
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van schellen
schellenhele werkwoord — scheldeverleden tijd enkelvoud — scheldenverleden tijd meervoud — gescheldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schel | schelde |
| jij | schelt | schelde |
| hij, zij, het | schelt | schelde |
| wij | schellen | schelden |
| jullie | schellen | schelden |
| zij | schellen | schelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gescheld | verleden tijd, deelwoord |
| gescheld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gescheld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gescheld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gescheld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gescheld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gescheld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gescheld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gescheld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gescheld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gescheld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gescheld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gescheld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gescheld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gescheld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gescheld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gescheld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gescheld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schel | gebiedende wijs |
| schelde | verleden tijd |
| schelle | aanvoegende wijs |
| schellend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gescheld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schellen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gescheld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gescheld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gescheld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gescheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gescheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gescheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gescheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gescheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gescheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gescheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gescheld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gescheld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gescheld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gescheld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord schel
Herkomst
In de betekenis van ‘bellen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100
Woordfamilie van schellen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schellend | onvoltooid deelwoord | schellen |
| schellende | woordvorm | schellen |
| schelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schellen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schellen zijn vastgelegd.