schande
zelfstandig naamwoordBetekenis
- iets wat bij het publiek minachting oproept, iets oneervols
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schandes | meervoud |
| schandetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schandetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Via het Middelnederlands van het Ohd. scanta. Oudere wortel in het Protogermaans: -scandō-/-skamdō- (waar ook schamen en schenden van zijn afgeleid). In de betekenis ‘oneer’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1201.
Woordfamilie van schande
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schandes | meervoud | schande |
| schandetje | verkleinwoord | schande |
| schandetjes | verkleinwoord meervoud | schande |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schande zijn vastgelegd.