schalm
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- schakel van een ketting
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schalmen | meervoud |
| schalmpje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schalmpjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schalmen
- gebiedende wijs van schalmen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schalmen
Vervoeging van schalm
schalmhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘schakel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1697
Woordfamilie van schalm
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schalmpje | verkleinwoord | schalm |
| schalmpjes | verkleinwoord meervoud | schalm |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schalm zijn vastgelegd.