schaften
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- het werk onderbreken om te eten
Vervoeging van schaften
schaftenhele werkwoord — schaftteverleden tijd enkelvoud — schafttenverleden tijd meervoud — geschaftvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schaft | schaftte |
| jij | schaft | schaftte |
| hij, zij, het | schaft | schaftte |
| wij | schaften | schaftten |
| jullie | schaften | schaftten |
| zij | schaften | schaftten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geschaft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geschaft | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geschaft | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geschaft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geschaft worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geschaft zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geschaft worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geschaft zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geschaft | verleden tijd, deelwoord |
| geschaft te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschaft zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschaft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschaft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschaft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschaft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschaft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schaft | gebiedende wijs |
| schafte | aanvoegende wijs |
| schaftend | onvoltooid, deelwoord |
| schaftte | verleden tijd |
| te hebben geschaft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schaften | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schaften | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geschaft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschaft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschaft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schaften | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schaften | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schaften | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geschaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schaften | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schaften | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schaften | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schaften | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schaften | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schaften | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schaften | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschaft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschaft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschaft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schaften | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schaften | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schaften | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schaften | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschaft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schaften | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van schaffen
Vervoeging van schaften
schaftenhele werkwoord — schaftteverleden tijd enkelvoud — schafttenverleden tijd meervoud — geschaftvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schaft | schaftte |
| jij | schaft | schaftte |
| hij, zij, het | schaft | schaftte |
| wij | schaften | schaftten |
| jullie | schaften | schaftten |
| zij | schaften | schaftten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geschaft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geschaft | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geschaft | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geschaft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geschaft worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geschaft zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geschaft worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geschaft zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geschaft | verleden tijd, deelwoord |
| geschaft te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschaft zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschaft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschaft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschaft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschaft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschaft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schaft | gebiedende wijs |
| schafte | aanvoegende wijs |
| schaftend | onvoltooid, deelwoord |
| schaftte | verleden tijd |
| te hebben geschaft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schaften | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schaften | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geschaft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschaft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschaft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schaften | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schaften | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schaften | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geschaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schaften | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schaften | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schaften | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schaften | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schaften | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schaften | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schaften | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschaft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschaft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschaft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schaften | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schaften | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schaften | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schaften | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschaft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schaften | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord schaft
Herkomst
In de betekenis van ‘eten tijdens werkonderbreking’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1886
Woordfamilie van schaften
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schaftend | onvoltooid deelwoord | schaften |
| schaftende | woordvorm | schaften |
| schaftte | verleden tijd | schaften |
| schaftten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schaften |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schaften zijn vastgelegd.