schaft
zelfstandig naamwoord, werkwoord sxɑftBetekenis
- het onderbreken van de arbeid voor het nuttigen van een maaltijd
- schachtvormig deel van een anker
- het massieve deel van een vogelveer tussen spoel en vlag
Hoe spreek je schaft uit?
/sxɑft/
Schaft bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- onderbreking van de arbeid voor het nuttigen van een maaltijd
- massieve deel van een vogelveer tussen spoel en vlag
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schaften | meervoud |
| schaftje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schaftjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schaffen
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schaffen
- gebiedende wijs meervoud van schaffen
Vervoeging van schaft
schafthele werkwoord
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van schaften
- gebiedende wijs van schaften
Vervoeging van schaft
schafthele werkwoord
Woordfamilie van schaft
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schaftje | verkleinwoord | schaft |
| schaftjes | verkleinwoord meervoud | schaft |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schaft zijn vastgelegd.