schaffen
werkwoordBetekenis
- beschikbaar maken
- klaarspelen
Vervoeging van schaffen
schaffenhele werkwoord — schafteverleden tijd enkelvoud — schaftenverleden tijd meervoud — geschaftvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schaf | schafte |
| jij | schaft | schafte |
| hij, zij, het | schaft | schafte |
| wij | schaffen | schaften |
| jullie | schaffen | schaften |
| zij | schaffen | schaften |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geschaft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geschaft | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geschaft | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geschaft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geschaft worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geschaft zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geschaft worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geschaft zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geschaft | verleden tijd, deelwoord |
| geschaft te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geschaft te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geschaft te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschaft te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschaft te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschaft worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geschaft zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geschaft zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschaft zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschaft zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschaft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschaft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschaft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschaft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschaft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schaf | gebiedende wijs |
| schaffe | aanvoegende wijs |
| schaffend | onvoltooid, deelwoord |
| schafte | verleden tijd |
| te hebben geschaft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schaffen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schaffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geschaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geschaft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geschaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geschaft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geschaft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geschaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geschaft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geschaft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geschaft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geschaft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geschaft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geschaft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geschaft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geschaft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geschaft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geschaft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geschaft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geschaft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geschaft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geschaft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geschaft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschaft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschaft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geschaft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschaft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geschaft zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschaft zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schaffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schaffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schaffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geschaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geschaft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschaft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geschaft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschaft zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschaft zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschaft zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schaffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schaffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schaffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geschaft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geschaft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geschaft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geschaft zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschaft zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschaft zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schaffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schaffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schaffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geschaft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geschaft zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schaffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschaft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschaft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschaft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geschaft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geschaft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geschaft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geschaft zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschaft zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschaft zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schaffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schaffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schaffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schaffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschaft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geschaft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geschaft zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schaffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘tot stand brengen, bezorgen’ voor het eerst aangetroffen in 1350
Woordfamilie van schaffen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schaf | gebiedende wijs | schaffen |
| schaffe | aanvoegende wijs | schaffen |
| schaffend | onvoltooid deelwoord | schaffen |
| schaffende | woordvorm | schaffen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schaffen zijn vastgelegd.