Naar de inhoud

schaffen

beschikbaar maken

schaffen

werkwoord

Betekenis

  1. beschikbaar maken
  2. klaarspelen

Vervoeging van schaffen

schaffenhele werkwoord — schafteverleden tijd enkelvoud — schaftenverleden tijd meervoud — geschaftvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schaf schafte
jij schaft schafte
hij, zij, het schaft schafte
wij schaffen schaften
jullie schaffen schaften
zij schaffen schaften
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geschaft voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geschaft voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geschaft impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geschaft impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geschaft impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geschaft impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geschaft worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geschaft zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geschaft worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geschaft zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geschaft verleden tijd, deelwoord
geschaft te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geschaft te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geschaft te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschaft te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschaft te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschaft worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geschaft zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geschaft zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geschaft zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geschaft zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geschaft voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geschaft voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geschaft voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geschaft voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geschaft voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geschaft voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geschaft voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geschaft voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschaft actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geschaft voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschaft voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geschaft voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geschaft voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschaft voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschaft voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geschaft voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geschaft voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
schaf gebiedende wijs
schaffe aanvoegende wijs
schaffend onvoltooid, deelwoord
schafte verleden tijd
te hebben geschaft actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te schaffen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen schaffen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geschaft voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geschaft voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geschaft voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geschaft voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geschaft voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geschaft voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geschaft voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geschaft enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geschaft enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geschaft enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geschaft enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geschaft enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geschaft enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geschaft enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geschaft enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geschaft enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geschaft enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geschaft enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geschaft enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geschaft enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geschaft hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschaft hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geschaft hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geschaft worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschaft worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geschaft zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschaft zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal schaffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal schaffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal schaffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geschaft voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geschaft voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geschaft voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geschaft voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geschaft hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschaft hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschaft hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geschaft worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschaft worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geschaft worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschaft zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschaft zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschaft zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou schaffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou schaffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou schaffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geschaft hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geschaft hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geschaft hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geschaft worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geschaft worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geschaft worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geschaft zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geschaft zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geschaft zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden schaffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden schaffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden schaffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geschaft hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geschaft worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geschaft zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt schaffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geschaft hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geschaft hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geschaft hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geschaft worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geschaft worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geschaft worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geschaft zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geschaft zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geschaft zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen schaffen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen schaffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen schaffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen schaffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geschaft hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geschaft worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geschaft zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult schaffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘tot stand brengen, bezorgen’ voor het eerst aangetroffen in 1350

Woordfamilie van schaffen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
schaf gebiedende wijs schaffen
schaffe aanvoegende wijs schaffen
schaffend onvoltooid deelwoord schaffen
schaffende woordvorm schaffen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schaffen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over schaffen

Wat betekent schaffen?
Schaffen is een werkwoord. Het woord betekent: beschikbaar maken. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je schaffen?
Je vervoegt schaffen als volgt: de tegenwoordige tijd is schaf, de verleden tijd is schafte en het voltooid deelwoord is geschaft. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord schaffen is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. A 1
  5. F 4
  6. F 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

schaffen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. A 1
  5. F 4
  6. F 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 22 zonder bonus
  10. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

schaffen in het kort

schaffen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van schaffen zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort schaffen bij een woordfamilie van 4 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

schaffen: beschikbaar maken
Deel schaffen — standaardnederlands.nl