aft
zelfstandig naamwoord ɑftBetekenis
- een kleine zweer in de mond ten gevolge van een virus
Hoe spreek je aft uit?
/ɑft/
Aft bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een kleine zweer in de mond
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aften | meervoud |
| aftje | verkleinwoord, enkelvoud |
| aftjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘spruw’ voor het eerst aangetroffen in 1896
Woordfamilie van aft
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aften | meervoud | aft |
| aftje | verkleinwoord | aft |
| aftjes | verkleinwoord meervoud | aft |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aft zijn vastgelegd.