saus
zelfstandig naamwoord, werkwoord /sɑu̯s/Betekenis
- een vloeibare substantie die meestal over een gerecht wordt gedaan of ernaast wordt gegeten voor extra smaak
- een kleurstof
- extra toevoeging, bijkomende (en meestal overbodige en/of ongewenste) nuance
Hoe spreek je saus uit?
/sɑus/
Saus bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| ɑu | koud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| sausen | meervoud |
| sausje | verkleinwoord, enkelvoud |
| sausjes | verkleinwoord, meervoud |
| sauzen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sauzen
- gebiedende wijs van sauzen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sauzen
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sausen
- gebiedende wijs van sausen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sausen
Vervoeging van saus
saushele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘soort jus’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van saus
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sausen | meervoud | saus |
| sausje | verkleinwoord | saus |
| sausjes | verkleinwoord meervoud | saus |
| sause | woordvorm | sausen |
| sausend | woordvorm | sausen |
| sausende | woordvorm | sausen |
| sauste | woordvorm | sausen |
| sausten | woordvorm | sausen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van saus zijn vastgelegd.